donderdag 15 augustus 2013

Doekle Terpstra: 'Mensen worden dominant ten opzichte van kapitaal'

Politiek-Digitaal.nl, 7 juni 2006
Doekle Terpstra: 'Mensen worden dominant ten opzichte van kapitaal'


Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) moet niet geforceerd worden door regelgeving. Ook is het niet verstandig om op bedrijven een MVO-etiket te plakken. We moeten het zien als een emancipatieproces, dat van onderaf afgedwongen en vormgegeven moet worden. "Het moet in de genen zitten."

Door Steven de Jong

Dat zei Doekle Terpstra, de voorzitter van de HBO-raad, 1 juni op een congres op Saxion Hogescholen in Deventer. Volgens de oud-vakbondsleider is MVO geen modegril, maar een fundamentele trend. "Steeds meer mensen willen in toenemende mate zelf de regie nemen over datgene wat ze tegenkomen in hun leven. De slag om menselijk kapitaal zal op een andere manier plaatsvinden. De klassieke verbinding tussen arbeid en kapitaal gaat kantelen. Mensen worden in toenemende mate dominant ten op zichte van het kapitaal", voorziet Terpstra.

Onderwijs moet anticiperen

Deze trend heeft in zijn ogen een zelfde karakter als de vrouwenemancipatie. En daarom, zo stelt hij, worden organisaties door mensen gedwongen het MVO-concept te verinnerlijken. "Niet geforceerd door regelgeving, maar vanuit de intrinsieke beleving van mensen." Terpstra merkt op dat steeds meer mensen zich niet meer alleen willen verbinden met hun eigen professie. “Het hoger onderwijs moet daarop anticiperen”, bepleit hij. “Door opleidingen in een breder maatschappelijk perspectief te trekken.”

Overheid moet stap terug doen

De overheid zelf moet een stap terug doen, oppert Terpstra. "Zij bestaan bij de gratie der regelgeving. Neem nou Rutte: die schreeuwt van de daken dat hij wil dereguleren. Maar diezelfde Rutte heeft ons opgezadeld met meer dan tien maatregelen die de lastendruk in het hoger onderwijs verzwaren."

D66-lijsttrekkerskandidate Simone Kuiter zet in op wereldvrede

Politiek-Digitaal.nl, 7 juni 2006
D66-lijsttrekkerskandidate Simone Kuiter zet in op wereldvrede


Haar tegenstrever Pechtold bedient zich van de slogan 'Perspectief en Leiderschap', maar zulke retoriek heeft Simone Kuiter helemaal niet nodig. Deze kandidate voor het lijsttrekkerschap van D66 weet - dankzij een openbaring - wat de wereld tot 21 december 2012 te wachten staat.

Door Steven de Jong

Eerst "verlies van alles wat ons dierbaar is" en daarna "absolute vrijheid". Kuiters verlangen naar wereldvrede is de ruggengraat van haar politieke koers.

Simone Kuiter (31) timmert al langer aan de weg naar wereldvrede. In 2004 richtte ze de stichting For Love And Grow (FLAG) op. Vanuit deze stichting staat ze mensen met raad en daad bij die willen bouwen aan een duurzame en leefbare samenleving. Tot voor kort was ze lid van het Nationaal Comité 4 en 5 mei en bekleedde een bestuursfunctie in de Amsterdamse afdeling van D66.

Kuiter ambieert nu het lijsttrekkerschap omdat ze verlangt naar een “samenleving waarin de macht weer wordt teruggegeven aan haar inwoners. Waarin mensen zelf verantwoordelijk zijn voor het te voeren beleid, daar de benodigde middelen voor krijgen en kunnen aanwijzen wie dat beleid voor hen gaat uitvoeren.”

Een liberale gedachte die ze samenbrengt in de slogan: ‘Van verzorgingsstaat naar een zelfsturende samenleving.’

Op de website van uw stichting kunnen we lezen dat u een intens verlangen heeft naar wereldvrede, voortgekomen uit een soort openbaring die u op 14 september 2003 had in uw tuin toen u naar de hemel keek. U werd overvallen door een sterk gevoel; alsof u even naar een andere wereld ging. Hoe zag die andere wereld eruit?

”Die wereld kent geen beperkingen, doordat het tijd en ruimte overstijgt. Het is, zoals ik dat vaak zeg, ‘de hemel op aarde’. Dat houdt in dat alle wereldbewoners de mogelijkheid hebben om het leven te creëren zoals zij dat zelf voor ogen hebben. Waarin ze niets te kort komen en met elkaar ervoor zorgen dat alle levende wezens naar een steeds hogere levensstandaard evolueren.”

Uw missie is wereldvrede. Daarvoor heeft u vast en zeker een stappenplan uitgedacht. Kunt u een tipje van de sluier lichten?

“De basis van mijn werk vindt zijn oorsprong in de creatiespiraal die is ontwikkeld door Marinus Knoope. Die ik overigens al toepaste voordat ik met de spiraal in aanraking kwam. Marinus Knoope beschrijft de weg van wens naar werkelijkheid en zegt dat een mens is voorbestemd om zijn of haar verlangen te verwezenlijken. Dus als ik maar blijf verlangen en geloven, dan zal er op een dag wereldvrede zijn. Want de kracht van gedachten zijn enorm sterk en vele malen sterker dan menigeen vermoed. Daartussenin lever ik mijn bijdrage door te zijn wie ik ben, mijn hart te volgen en dienstbaar te zijn aan de ontwikkeling van anderen en daardoor van mezelf.”

Op de site van uw stichting schrijft u dat u een uitgesproken voorgevoel hebt over wat er tot en met 21 december 2012 in de wereld staat te gebeuren. Kunt u in grote lijnen schetsen waar we ons op moeten voorbereiden?

“Mensen zullen zich moeten voorbereiden op een periode waarin ze alle overtuigingen die ze hebben meegekregen vanaf hun geboorte, gaan afleggen. Dat wil zeggen dat ze door al hun angsten heengaan en worden geconfronteerd met een nieuwe werkelijkheid die ze tot dusver niet bewust hebben ervaren. Die periode zal gepaard gaan met verlies van alles wat hen dierbaar is. Alle zekerheden zullen wegvallen, de enige zekerheid die overeind zal blijven is de onzekerheid. Wat er voor terug gaat komen is het ervaren van absolute vrijheid en daarmee gepaard gaande onbeperkte mogelijkheden om het leven te creëren zoals iemand dat zelf voor ogen heeft.”

Politieke partijen, zo schrijft u op uw weblog, hebben een functie op weg naar absolute democratie, maar mogen nooit een doel op zich worden. Welke tekenen zijn er aan de wand dat 'het moment' voor het opheffen van partijen nabij is?

“Het afnemende aantal leden van politieke partijen, de steeds groter wordende kloof tussen burgers enerzijds en regering en volksvertegenwoordigers anderzijds, het groeiende aantal particuliere initiatieven, ofwel het ondernemerschap, en de behoefte van bedrijven om maatschappelijk verantwoord te ondernemen.”

U dicht u zelf de kracht toe dat u mensen kan inspireren om het klassieke denken in 'goed of fout' te overstijgen. Inspireer mij eens.

“Deed Ayaan Hirsi Ali er goed of fout aan om een andere naam op te geven bij haar asielaanvraag? Dat doet er niet doe. Wat er wel toe doet is dat zij op dat moment deed wat zij dacht dat juist was, gegeven de omstandigheden. Dat is het enige wat telt. Niemand, behalve de betrokkene zelf is verantwoordelijk voor de bewuste en onbewuste keuzes die hij of zij maakt en zal dan ook de consequenties daarvan moeten aanvaarden. Op het moment dat mensen van buitenaf gaan oordelen of een keuze goed of fout was, zijn ze de weg kwijt en begeven zij zich op een terrein waar ze niet over gaan. Want niemand en geen enkele situatie is hetzelfde.”

Nova vroeg waarom u de gedroomde kandidaat van D66 bent. U antwoordde: "Omdat ik durf te dromen.” Waar droomt u over?


“Over van alles, de hele dag door. Dat begint zodra ik in aanraking kom met schrijnende situaties, dan verbeeld ik mij alvast een nieuwe situatie waarin de betrokkenen geen problemen meer ervaren. Zoals bijvoorbeeld een Netwerk-reportage over Kenia, dat ging over de enorme droogte daar die miljoenen mensen de dood in jaagt. Verschrikkelijk om aan te zien. Op dat moment kan ik niet meer doen dan die mensen beloven dat er water aankomt voor ze. Ik begin dan met me voor te stellen dat er heel veel goed uitgeruste vrachtwagens het gebied inrijden om water te verspreiden. Dat lijkt misschien suf en onrealistisch om te doen, echter ik geloof dat elke creatie begint bij de verbeelding van dat wat je wenst. En als je daarin maar blijft geloven, dat je ook de middelen aan zult trekken om die mensen van hun problemen te verlossen.”

U bent, zonder dat ik het een negatieve lading wil geven, wel een zweverig type. Is dat misschien juist ook uw kracht? Dat u bijvoorbeeld een stemmenkanon kunt zijn voor zwevende kiezers?

“Dat weet ik wel zeker, mooi gezegd.”

Politie wil meer menselijke maat en minder 'regel is regel'

Politiek-Digitaal, 6 juni 2006
Politie wil meer menselijke maat en minder 'regel is regel'


Wil de politie als bindmiddel op kunnen treden, dan zal Den Haag meer beleidsruimte moeten scheppen. De focus op targets, de cijferdrift en de 'regel is regel'-cultuur monden uit in schijnveiligheid.

Door Steven de Jong

De wijkagent zou een meer signalerende en adviserende rol moeten krijgen, en zelf afwegingen moeten kunnen maken in hoe de veiligheid terplekke beïnvloed kan worden. "Het zijn de waarden die bepalen hoe je met de norm omgaat."

Deze kritiek uitte de top van de politie tijdens een beraadslaging in mei 2006. Voor het eerst liet de Raad van Hoofdcommissarissen camera’s toe. Politiek-Digitaal doet van de uitzending verslag en zoomt in op de discussie over de Haagse regelzucht.

Opvallend is dat de Raad van Hoofdcommissarissen nauwelijks onderling van mening verschilde. De 26 korpschefs verwijten Den Haag dat hen de ruimte wordt ontnomen om als maatschappelijk betrokken politie het werk naar eigen inzicht uit te voeren, met oog voor de omstandigheden waaronder mensen de fout in gaan. Dit staat haaks op het streven van de regering naar een ‘nationale politie’, aangestuurd door het ministerie van Binnenlandse Zaken.

‘Verkleuteren van professionals’

Volgens Pieter-Jaap Aalbersberg, korpschef van de Politie IJselland, wordt het bestaansrecht van de politie dan ontnomen. "Het gaat om veiligheid, maar dat kunnen we alleen doen als wij in die haarvaten aanwezig zijn." Jan Stikvoort, korpschef van de Politie Hollands Midden, voorziet dat een normatieve sturing leidt tot een repressief politiebestel, ofwel; tot een gezag dat pas in actie komt als het kwaad al geschied is. Stikvoort wil als politie "pro-actief" kunnen optreden en "consoliderend" bezig zijn.

Ruud Bik kenschets het huidige beleid als het "verkleuteren van professionals" met rampzalige gevolgen. "Zo haal je alle effectiviteit van het apparaat weg en dan ga je naar een situatie van de banlieues in Frankrijk toe", doelend op de gewelddadige confrontaties tussen Noord-Afrikanen en de politie in de Franse achterstandswijken eind 2005.

Stikvoort gelooft niet dat de samenleving beter beheerst kan worden door het stellen van allerlei normen. De nadruk komt dan te liggen op handhaving, zo analyseert hij, en dan leven we naar de regel van de wet. "Uiteraard zijn regels er om te worden nageleefd", geeft hij toe, "maar ze moeten vooral bedoeld zijn om mensen te helpen en te dienen". Stikvoort pleit voor een cultuur waarin regels vanuit "waarde-opvattingen" worden toegepast. "Omstandigheden tellen altijd. Het zijn de waarden die bepalen hoe je met de norm omgaat. Het zijn niet de normen die leidend moeten zijn voor wat je wel en niet doet."

Ook Bernard Welten, korpschef van de Politie Amsterdam-Amstelland, ziet de kille regelzucht liever vandaag dan morgen plaatsmaken voor de menselijke maat. "We moeten oppassen dat het systeem niet te pervers wordt." Cijfers worden in zijn ogen teveel een doel op zich, of erger nog: "Het middel wordt soms erger dan het doel."

‘Schrijven voor het getal’

Tegen de prestatiecontracten die de overheid afsluit met de politie, zeggen de hoofdcommissarissen geen principiële bezwaren te hebben. Maar dan moet die verantwoordingsplicht geen verkeerde impulsen geven. Een 'bonnenplicht' is dat volgens hen wel. Dan ligt de nadruk op het aantal bekeuringen en niet op het handhaven van de veiligheid.

Oscar Dros, baas van de politie in Groningen, vindt dat de overheid aan agenten moet durven overlaten dat zij op straat zelf de afweging maken of er opgetreden moet worden of niet. Zij zien terplekke hoe de veiligheid beïnvloed wordt, benadrukt hij. Die afwegingen kunnen volgens hem "niet vanuit het regiokantoor, en niet vanuit Den Haag" gemaakt worden. Dros waarschuwt dat prestatiecontracten op lange termijn een risico vormen voor de legitimiteit van de politie.

Met veel moeite probeert hij zijn organisatie aan te sturen tegen de filosofie van de prestatiecontracten in. "Er is geen diender in mijn korps die moet schrijven enkel en alleen voor het getal. Nee, er moet geschreven worden als een individuele politieman een afweging maakt dat op dat moment handhaving, het uitschrijven van een bekeuring, daadwerkelijk helpt bij het beïnvloeden van veiligheid." Het prestatiecontract is volgens Dros de belichaming van een technocratisch systeem, "waarbij veiligheid niet meer de afweging is, maar het getal".

Magda Berndsen, korpschef Politie Gooi- en Vechtstreek, beaamt dat. "We zien een omgekeerde beweging ontstaan, naar een soort maakbaarheid van de politie. Dat gaat absoluut niet werken. Geef ons alsjeblieft de ruimte om maatwerk te kunnen blijven leveren. We willen niet door de waan van de dag van politiek Den Haag geregeerd worden. Want daar worden onze burgers niet beter van."

Anja Brink, korpschef Politie Noord-Holland Noord, probeert net als haar Groningse collega Oscar Dros tegen de filosofie van de prestatiecontracten in te werken. Ze komt met een concreet voorbeeld. "Wij hebben iets bedacht op uitgaansgeweld in het weekend. Ik stuur agenten te voet, al heel vroeg, 's avonds het uitgaansgebied in. Met portiers hebben zij dan direct contact, en maken afspraken. Wij zijn er daarom vaak al bij voordat problemen leiden tot knokpartijtjes." De keerzijde van deze werkwijze is volgens Brink dat er minder verdachten aangehouden kunnen worden. Mensen kunnen immers niet gearresteerd worden als zij nog geen klap uitgedeeld hebben. "Dit leidt ertoe dat we moeilijker onze afspraken kunnen nakomen. We moeten namelijk een aantal verdachten aanleveren aan het Openbaar Ministerie", aldus Brink.

‘Voor een deel schijnveiligheid’

"De overheid heeft valse verwachtingen gewekt", zegt Bernard Welten. "Onder druk van de media, heeft de overheid besloten meer te regelen. Vanuit de gedachte 'als we iets cijfermatig kunnen aantonen, dan kunnen we laten zien dat we er alles aan doen' heeft ze een machinatie in gang gebracht. Maar die cijfers zijn een deel van de werkelijkheid. Ik denk dat het voor een deel schijnveiligheid is."

Brink: "In onze visie op langere termijn hebben we gezegd: de politie zorgt voor noodhulp en voor opsporing, maar zal ook signaleren en adviseren. Wat gebeurt er, en wat kun je eraan doen. Deze rol neemt de overheid niet altijd in voldoende mate serieus. Doen ze dat wel, dan denk ik dat het de overheid zal helpen om weer dichter bij de mensen in het land te komen."

Voortbordurend op de visie van Brink zegt Stikvoort dat de moderne wijkagent er niet alleen is om te interveniëren in allerlei probleemgevallen, maar die vooral een informatiebrenger is voor de politieorganisatie. "Die weet wat er gebeurt achter de voordeuren en vóór de voordeuren. Die weet waar de basis wordt gelegd, wellicht voor terrorisme. Die weet waar criminele activiteiten plaatsvinden. Die weet hoe de toestand is in de wijk en in de omgeving. Die kennis moeten wij zeer professioneel bijeenbrengen, en verwerken, en gebruiken voor onze adviezen. Aan de politici, maar ook gebruiken voor de inrichting van ons werk."

‘Lokale verankering’

Een nationale politie staat daarom haaks op alles waar de hoofdcommissarissen voor staan. "Als die er komt, dan zal de politie in de lokale verankering minder zichtbaar zijn", zegt Aad Meijboom van de Politie Rotterdam-Rijnmond.

Eerder zei Meijboom tegen Politiek-Digitaal dat ook in de terreurbestrijding het accent moet liggen op een alert politiebestel, en niet op geheim agenten van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD). "Bij agenten op straat zit heel veel informatie", verklaarde hij in december 2005, om er vervolgens aan toe te voegen dat minister Donner van Justitie zich minder bezig moet houden met het beteugelen van de media en meer met de problemen op straat.

Brink benadrukt dat de overheid "goud in handen heeft met een organisatie als de politie", maar dat ze dat wel moet zien. Stikvoort mist vooral het respect van Den Haag. "Ik zou veel liever zien dat men gebruik maakt van onze deskundigheid, dat Den Haag het vak dat wij uitoefenen ook respecteert.”

Korpschefs: uitsluiting allochtonen leidt tot criminaliteit

Politiek-Digitaal.nl, 31 mei 2006
Korpschefs: uitsluiting allochtonen leidt tot criminaliteit


"Als je niet op een normale manier carrière kan maken, dan ga je een criminele carrière maken. Dat is de vergelijking die ik weleens zie. Wanneer je dat vertaalt naar multiculturaliteit, dan maak ik me echt grote zorgen." Dat zegt Frans Heeres, korpschef Politie Midden-West Brabant. Hij houdt werkgevers hiervoor medeverantwoordelijk, omdat zij eerder voor een autochtone dan voor een allochtone werknemer zouden kiezen.

Door Steven de Jong
De politiechef deed zijn uitspraken tijdens een interne beraadslaging van de Raad van Hoofdcommissarissen. Voor het eerst liet de raad camera's toe, het actualiteitenprogramma Netwerk deed verslag.

Uitsluiting

Ook Heeres' collega's maken zich in toenemende mate zorgen om de tweedeling in de samenleving. Anja Brink, korpschef Politie Noord-Holland Noord, zegt in reactie op Heeres: "Dat betekent dat mensen zich uitgesloten voelen. Ook hoogopgeleide jonge allochtonen bijvoorbeeld, die niet aan het werk komen, terwijl ze gewoon geschikt zijn voor de arbeidsmarkt."

Subcultuur

Brink wijst erop dat veel allochtonen zich steeds meer in hun eigen subcultuur terugtrekken. "In hun eigen kringetje komen ze helemaal los te staan van wat wij in Nederland verder proberen te doen." Zelfs voor de politie is het moeilijk om tot deze allochtone groepen door te dringen, erkent ze. "Ze gaan met de rug naar de samenleving staan. Die denken van, ja, ze willen ons niet, waarom zouden wij moeite doen om daar dan toe te behoren?"

Schooluitval

Bernard Welten, korpschef van Amsterdam-Amstelland, ziet juist in de schooluitval "de grote bedreiging van dit moment", maar Heeres wijst erop dat het toch en vooral draait om de houding van werkgevers. "Als je een sollicitatiebrief stuurt naar een groot winkelbedrijf en je vraagt daar caissière te mogen worden, en je hebt een Nederlandse achternaam en je CV is niet zo goed, of je hebt een allochtone achternaam en je hebt toevallig je MBO-diploma prima gehaald en altijd goed gefunctioneerd, raad dan eens wie er uitgenodigd wordt voor een sollicitatiegesprek? Zover zijn we op dit moment in onze maatschappij."

Franse toestanden?

De Franse rellen van november 2005, die begonnen in de buitenwijken (banlieues) van Parijs, staan de hoofdcommissarissen nog op het netvlies gegrift. De beelden van de gewelddadige confrontaties tussen jonge Noord-Afrikanen en de Franse politie gingen de hele wereld over. Meer dan negenduizend auto's gingen in vlammen op. Oorzaak van de escalaties zouden de slechte sociaal-economische omstandigheden van deze jongeren zijn. Netwerk vroeg de politiechefs of iets dergelijks ook Nederland te wachten staat.

Kwetsbaarheid

Heeres maakt zich daar niet direct zorgen over. "Als je het hebt over openbare orde en onrust denk ik dat het in Nederland wel redelijk gaat.” Wel maakt hij zich ongerust over de kwetsbaarheid van de minima in Nederland. Hun financiële positie zou ertoe kunnen leiden dat ze zich inlaten met criminele activiteiten. “Als iemand een bijstandsuitkering heeft, en maar 981 euro per maand krijgt, en met een aantal kinderen daar alles van moet doen, dan moet je sterk in je schoenen staan als op de deurbel gedrukt wordt en ze vragen: mag ik jouw zolder gebruiken voor een hennepkwekerij."

Andere Overheid? Andere Burger!

Lastvandeburger.nl, 19 mei 2006
Andere Overheid? Andere Burger!


De kloof tussen burger en overheid: wat kun je er eigenlijk nog over zeggen? Elk deuntje komt op het zelfde neer: de overheid moet vernieuwen, beter luisteren, naar de mensen toe, uit de achterkamertjes komen, de kaasstolp aan diggelen slaan, beter communiceren, beter bereikbaar zijn, op maat diensten aan bieden, en ga zo maar door.

Door Steven de Jong

Welke analyse je ook leest of hoort, de overheid is altijd de gebeten hond. Dat maakt ambtenaren en politici tot de meest geplaagde bevolkingsgroep van dit moment. Ze zijn verworden tot de vuilnismannen van de publieke sector. Enerzijds kun je niet zonder hen, anderzijds worden ze met de nek aangekeken. Dat doet pijn, heel erg pijn.

Zozeer dat enkele prominenten ineenstorten van ellende. Een fractievoorzitter die haar eigen regeringspartij een 4 geeft, een minister die zichzelf en collega’s voor vuil en vunzig uitmaakt. Zelfbeklag dat zich mede manifesteert in het programma Andere Overheid, een project waar diezelfde minister een dagtaak aan heeft. De meest tragische uitwas van dit programma is de overheidssite Lastvandeoverheid.nl. Een overheid die zichzelf aan de schandpaal nagelt, kan het nog droeviger?

Daarom wordt het tijd dat de burger zichzelf eens gaat afvragen: hebben we nou ons zin? Een beetje plagen en pesten is leuk, maar je moet ook je grenzen kennen. De overheid weet het nu wel; geen ambtenaar durft zijn beroep meer te vertellen op een feestje, loketbeambten worden uitgescholden, politieagenten wordt geen gezag meer toegekend en politici kruipen in de slachtofferrol van vernieuwingsvernieuwingsprogramma’s of gaan in therapie bij campagnestrategen.

Slechts een enkeling durft nog dapper weerstand te bieden tegen dit verderfelijke getreiter, en ik citeer hierin niemand minder dan Jan Peter Balkenende. “U zou zich moeten schamen voor het feit dat we ons in Nederland vaak druk maken om niks. Weet u, ik heb het een beetje gehad met al dat doorgeslagen negativisme. Daar heb ik het gewoon mee gehad”, bromt De Baas die er tersluiks op wijst dat wij vroeger nog wereldzeeën bevoeren.

Nu we te maken hebben met een overheid die niet anders meer kan dan klaagzangen over zichzelf zingen is het moment aangebroken om ambtenaren en politici weer een stok in handen te geven. Wel zo eerlijk. Deze stok noemen we het programma Andere Burger en de speerpunt daarop heet Lastvandeburger.nl: de site waar de overheid haar beklag kan doen over bandeloos, onverantwoordelijk en gezagsondermijnend gedrag.

Het programma Andere Burger ziet er alsvolgt uit:

Fase 1: Overheid dient lasten in
Fase 2: Burgers reageren op lasten
Fase 3: Onderzoek en rapportage
Fase 4: Profielschets Andere Burger
Fase 5: Overheidsmanifest aan burgers

Van burgers wordt verwacht dat zij oplossingen verzinnen voor het leed en de kopzorgen die zij overheid en politiek bezorgen. Dat ze eens luisteren naar wat de gezagsdragers en uitvoerders van het gezag te vertellen hebben, waaraan ze zich storen en wat de burger moet doen om in positieve zin te veranderen.

Ergernissen die voorheen verdampten in formele communicatieprotocollen en politieke campagnepraatjes, kunnen nu eindelijk op het bordje van de burger geworpen worden. Eet smakelijk!

ICT-onderwijstools blijven teveel op de plank liggen

Politiek-digitaal.nl, 15 mei 2006
ICT-onderwijstools blijven teveel op de plank liggen


Anno 2006 is ICT diep doorgedrongen in de primaire processen van het Hoger Onderwijs. Voor het ‘nieuwe leren’, waarbij de docent nauwelijks college meer geeft en vaker optreedt als begeleider, worden in rap tempo nieuwe tools ontworpen.

Door Steven de Jong

Toch koestert een grote meerderheid nog weerstand. Nieuwe tools blijven op de plank liggen.

Het Nederlandse Hoger Onderwijs behoort tot de kopgroep in de wereld als het om ICT gaat, zegt SURF, de samenwerkingsorganisatie waarin onderwijsinstellingen hun krachten bundelen om gezamenlijk ICT-voorzieningen te realiseren.

Geen ‘Plug & Play’

SURF was er al vroeg al bij. Ze ontstond begin jaren tachtig naar aanleiding van een advies van de commissie-Rathenau. Deze commissie adviseerde de regering de automatiseringsgolf niet als bedreiging voor de werkgelegenheid te zien, maar de kansen ervan te benutten. De overheid moest zelf aan de automatisering. ‘Er moest beleid op komen’, zoals dat heet. Dat was geen kwestie van 'Plug & Play', maar van voortdurende hervormingen.

Eerst beleid, dan techniek

De visie van Rathenau is altijd een leidraad geweest voor de implementatie van ICT in het onderwijs, legt Gerrit van de Graaf - toenmalig directeur van SURF - in een welkomstvideo uit. “Bij dit soort grote organisatorische samenwerkingen moet het eerst beleidsmatig en organisatorisch kloppen. Dan pas lukt het je om de techniek in te voeren. De kracht van SURF is dat het die eerste twee dingen ook altijd eerst gedaan heeft, en daarna komen pas de techniekvragen.” Die mening is ook Bart van de Laar, de huidige manager onderwijsvernieuwing, toegedaan. Het idee dat SURF alleen maar inzet op stimulering van ICT-gebruik is volgens hem niet waar. Met de regelmaat van de klok zegt hij: dit is een onderwijsprobleem, ICT is niet het wondermiddel.

Weerstand

Ook is een hyperactieve houding niet goed, legt Van de Laar uit. “In onze voorwaarden voor subsidieverlening ligt besloten dat instellingen eerst maar eens goed moeten toepassen wat er al op de plank ligt.” Vaak willen de innovators en early adopters in een organisatie wel aan de nieuwe tools, maar voelt de grote meerderheid zich nog niet vertrouwd met de reeds beschikbare ICT-faciliteiten. “Daarin volgt ICT dezelfde weg als iedere andere innovatie. Leeftijd is daarbij niet per se de sleutelfactor. Tijdgebrek en de weerstand tegen – ongeacht welke – verandering, spelen een rol.”

Vakinhoudelijk ICT-gebruik blijft achter

Anno 2006 is ICT diep doorgedrongen in de primaire processen van het Hoger Onderwijs. SURF heeft daarin bijgedragen door een hoogwaardig computernetwerk te leveren. Volgens de ICT-Onderwijsmonitor, een projectgroep die de stand van zaken rond invoering van informatietechnologie in het onderwijs in kaart brengt, wordt ICT vooral voor de organisatorische en administratieve bedrijfsvoering ingezet. Denk hierbij aan de organisatie van cursussen, het registeren en monitoren van studenten, het inschrijven voor tentamens en het verschaffen van informatie over docenten en studenten.

De ICT-onderwijsmonitor stelt vast dat er minder animo is voor vakinhoudelijke ICT-toepassingen. Vakspecifieke applicaties zijn niet volledige geïntegreerd in de meeste opleidingen. Onder inhoudelijke functies verstaat de projectgroep ook; communicatie over het leerproces, het gezamenlijk werken aan opdrachten, het aanbieden van lesmateriaal voor zelfstudie, het samenwerkend leren en het van gedachten wisselen op een discussieplatform.

Blended learning

Dit raakt natuurlijk ook het hart van het onderwijs. De verschuiving van docent voor de collegezaal naar de docent als begeleider is namelijk niet onomstreden, vooral als dat laatste via ICT plaatsvindt. Van de Laar laat weten dat SURF daar ook niet bovenop wil zitten: “Wij willen bijdragen aan werkelijk nieuwe onderwijsvormen, maar het is aan de HBO- en WO-instellingen zelf daarin positie te kiezen. In de afgelopen jaren bleek vooral blended learning – mengvormen van ‘traditioneel’ en ICT-ondersteunende werkvormen – goed te werken.”

Volgens Hans Outhuis, directeur van de Dienst Onderwijs & Student van Saxion Hogescholen en verantwoordelijk voor de portefeuille 'ICT-regie', kan er niet getipt worden aan face-to-face onderwijs. Wel is hij, net als SURF, voorstander van blended learning. "Het 'nieuwe leren' is niet goed mogelijk zonder de inzet van digitale instrumenten. Met blended learning kunnen alle doelgroepen van Saxion beter bediend worden. Ook voor buitenlandse studenten biedt het mogelijkheden om efficiënter en effectiever onderwijs aan te bieden."

Digitale belevingswereld studenten

Zaak is ook om op het persoonlijke gebruik van studenten in te haken. Studenten zitten momenteel op Hyves en MSN. Ze hebben een eigen weblog, of reageren er regelmatig op. Hogeschool InHolland verwijst in radiospotjes aspirant-studenten naar weblogs van studenten. Van de Laar ziet dat onderwijsinstellingen zich hier momenteel met enthousiasme op storten. “Ze werken zich uit de naad om aan te sluiten bij de belevingswereld van studenten. Werkelijk hartstikke leuke projecten buitelen over elkaar heen, van grote games tot streaming video en e-portfolio’s, van leren met handhelds in het veld tot het bij elkaar brengen van complexe computerpractica en werkcolleges.”  Maar, werpt Van de Laar tegen, “er zijn veel leuke tools, maar veel wordt nog onvoldoende gebruikt.”

Liever middenmoot

Outhuis merkt op dat dit te maken heeft met een mix van factoren. “Het succes van het gebruik van ICT-voorzieningen is afhankelijk van het ervaren nut van de voorziening. Ik noem dat de G3: gemak, genot en gewin. Is het een oplossing voor het door de gebruiker ervaren probleem? Daar schort het nog wel eens aan.” De ICT-coördinator geeft aan dat Saxion als hogeschool qua ICT-gebruik liever tot de middenmoot behoort, dan tot de kopgroep. Simpelweg omdat in de pilotfase de meeste ongelukken gebeuren.

Integratie van ICT in het onderwijs: een terugblik

Politiek-digitaal.nl, 15 mei 2006
Integratie van ICT in het onderwijs: een terugblik


Eind jaren zeventig had Nederland een achterstand op alle belangrijke industrielanden. Ondanks de economische crisis die tot ver in de jaren tachtig voortduurde, besloot de overheid te investeren in ICT.

Door Steven de Jong

De eerste integrale aanpak kreeg de naam ‘het Informatica-Stimuleringsplan’. De nota sloeg in als een bom en bracht een cultuuromslag teweeg.

In 1978 besloot de regering dat ze een positie moest innemen. De overheid had namelijk de neiging automatisering alleen als bedreiging voor de werkgelegenheid te zien. Vanuit die gedachte stelde ze de commissie-Rathenau in en legde de onderzoekers een basale en bezorgde onderzoeksvraag voor: “Leidt de opkomst van micro-elektronica slechts tot hogere werkloosheid of ontstaan er nieuwe economische kansen?”

Van defensief naar offensief

De commissie gaf op die algemene vraag een evenzo algemeen antwoord: de overheid moest de maatschappelijke betekenis van technologie voortaan systematisch benaderen. De defensieve houding moest omslaan in een offensieve: het benutten van kansen.

Logisch zou je denken, maar volgens burgemeester Deetman van Den Haag – destijds minister van Onderwijs en Wetenschappen – sloeg die aanbeveling in als een bom. Begin jaren tachtig verkeerde Nederland immers in een economische crisis. Het laatste waar de politiek trek in had was computers aanschaffen, vertelt hij in een videoproductie van de stichting SURF, de samenwerkingsorganisatie waarin onderwijsinstellingen hun krachten bundelen om gezamenlijk ICT-voorzieningen te realiseren.

Deetman: “Het rapport van de commissie-Rathenau was dermate alarmerend dat er wat mee moest gebeuren. Toen ik minister werd in 1982 kreeg ik dat op mijn bordje. Dit heeft geleid tot het ‘Informatica-Stimuleringsplan’ (17 januari 1984, SdJ). Dat plan heeft geleidt tot een advies, dat leidde tot SURF.” Volgens Deetman kwam de regering toen tot het besef dat als Nederland zich niet geweldig zou inspannen, het in Europa achterop zou raken.

In het blad Informatie en Informatiebeleid uit 1984 geeft professor De Bruijn, toenmalig hoogleraar in de Onderafdeling Wiskunde en Informatica aan de Technische Hogeschool te Eindhoven, een reactie op het Informatica-Stimuleringsplan. Hij pleit in het blad voor een 'meersporige inhaalactie' om de achterstand in te lopen. Voor zover het gaat over opleidingen, maakt hij een globaal onderscheid in drie fronten:
  1. Opleiding van echte computerspecialisten.
  2. Beroepsvoorbereidend onderwijs over computers, te geven aan degenen die bij de uitoefening van hun vak computers zullen gaan gebruiken zonder zelf computerspecialisten te worden.
  3. Algemeen niet-beroepsgericht onderwijs over computers, en onderwijs met behulp van computers.
Specialisten en consumenten

De Bruijn was van mening dat de commissie-Rathenau deze sporen onvoldoende had uitgewerkt. In zijn publicatie houdt hij dan ook een pleidooi om VWO'ers te leren programmeren. Een advies dat, afgezien van wat keuzevakken, nooit serieus is geïmplementeerd. “De grote meerderheid van degenen die in het wetenschappelijk onderwijs terechtkomen, zullen het programmeursniveau moeten bereiken”, stelde De Bruijn. “Ruwweg kan men zeggen dat in iedere studierichting waarvoor een eindexamen met Wiskunde A of B wordt gevraagd, ook moet kunnen worden geprogrammeerd.”

Tegelijkertijd moest de overheid van De Bruijn investeren in het opleiden van “consumenten in de informatiemaatschappij”. In het Informatica-Stimuleringsplan is volgens hem nauwelijks onderscheid gemaakt tussen programmeurs en operateurs, ofwel gebruikers. Tussen computerspecialisten die bouwen aan programma's en consumenten die ermee leren werken.

Bedienen van pakketten

"Als men tegenwoordig over computergebruik spreekt dan bedoelt men niet meer hetzelfde als bijvoorbeeld 10 jaar geleden", legt De Bruijn uit. "Natuurlijk, de 'echte' informatici zullen hetzelfde blijven bedoelen, maar voor de meesten is het wat anders geworden. Het is niet meer het zelfstandig programmeren, maar het bedienen van pakketten." Gelukkig maar, merkt de professor op. "Want nu is het mogelijk om een zeer grote klasse van mensen achter de toetsenborden en beeldschermen te zetten. Zo is een groot deel van het computergebruik gericht op de administratie, als we daaronder tekstverwerking laten vallen. Men zou kunnen zeggen dat de gebruikers daar operateurs zijn en geen programmeurs."

Weinig animo voor vakinhoudelijke ICT

Nu, bijna een kwart eeuw later, moeten we constateren dat ICT eigenlijk nog steeds vooral voor de organisatorische en administratieve bedrijfsvoering wordt ingezet in het onderwijs. Slechts in een beperkt aantal opleidingen krijgen studenten programmeervakken, in het middelbaar onderwijs wordt er evenmin echt aandacht aan besteed.

De ICT-onderwijsmonitor, een projectgroep die de stand van zaken rond invoering van informatietechnologie in het onderwijs in kaart brengt, stelt ook vast dat er weinig animo is voor vakinhoudelijke ICT-toepassingen. Onder inhoudelijke applicaties worden tevens de digitale leeromgevingen verstaan, waar studenten gezamenlijk kunnen werken aan opdrachten en gedachten uit kunnen wisselen.

Volgens SURF, de organisatie die voortkwam uit het Informatie-Stimuleringsplan, behoren Nederlandse universiteiten en hogescholen nu wel tot de kopgroep in de wereld als het om ICT gaat. De organisatie houdt het Informatica-Stimuleringsplan daarvoor verantwoordelijk.

Jelleke Veenendaal: 'Ik doe niet onder voor Rutte en Verdonk'

Politiek-digitaal.nl, 15 mei 2006
Jelleke Veenendaal: 'Ik doe niet onder voor Rutte en Verdonk'


In de leiderschapsstrijd tussen de VVD’ers Rita Verdonk en Mark Rutte, zouden we bijna vergeten dat er nog een derde kandidaat in de race is: Jelleke Veenendaal.

Door Steven de Jong
Het nagenoeg onbekende Tweede Kamerlid verwijt de media dat ze steeds weggeknipt wordt uit TV-opnamen. Politiek-Digitaal trekt zich dat aan en onderwierp Veenendaal aan een exclusief interview.

Rita Verdonk manifesteert zich als daadkrachtig, Rutte als mobiliserend; wat is uw kracht?
"Ik ben duidelijk en sta echt tussen de mensen!"

U bent als Kamerlid nagenoeg onbekend. U heeft de spotlights nooit opgezocht. Waarom nu opeens wel?

"Doorgaans zoek ik de spotlights inderdaad niet op, maar in dit geval vond ik dat er gewoon wat te kiezen moest zijn binnen de VVD. Ik ben geschikt om lijsttrekker, en later fractievoorzitter te worden. Ik doe inhoudelijk zeker niet onder voor kandidaten als Rutte en Verdonk."

Is het echt zo dat Mark Rutte het broertje van Wouter Bos is?

"Tsja, ze dragen beiden geen stropdas en hebben dat jongensachtige nog over zich. Echt onderscheidend is Mark niet op dat vlak ten opzichte van Bos."

Sluit u de PvdA uit?

"Nee."

Wat is er mis met de huidige VVD; waar moet aan gesleuteld worden?

"De VVD moet weer in contact komen met de leden; daar draait het om. Momenteel is de afstand tussen partijleden en Kamerleden en ook het partijbestuur veel te groot. Ik wil dat er meer geluisterd wordt naar wat de gewone leden willen, die stemmen immers op ons. Zij weten wat er speelt en onder hen zijn ook veel experts, die met specifieke kennis kunnen bijdragen aan standpunten van de Tweede Kamerfractie."

Stuurt u ook een waarnemer, die moet controleren of de stemmen wel eerlijk geteld worden?

"Ha, ha, nee hoor. Het hoofdbestuur heeft de procedure helder uitgelegd en daarmee kan ik prima leven."

Bent u bang voor een scheuring in de partij?

"Nee."

Hoeveel procent van de stemmen denkt u te halen?


"Moeilijk in te schatten. Ik hoop genoeg om lijsttrekker te worden."

Nuchter omgaan met UMTS blijkt onmogelijke opgave

Politiek-digitaal.nl, 12 mei 2006
Nuchter omgaan met UMTS blijkt onmogelijke opgave


Actiegroepen weten steeds meer burgers te mobiliseren in hun strijd tegen de plaatsing van GSM- en UMTS-zendmasten. Terwijl de regering de telecomsector blijft steunen, zijn al vijftig gemeenten gezwicht voor bezorgde bewoners die gezondheidsklachten toeschrijven aan straling.

Door Steven de Jong

Dit maakt de overheid tot een onbetrouwbare zakenpartner voor telecombedrijven die tevens tekortschiet in objectieve publieksvoorlichting.

‘Nuchter omgaan met risico’s’, zoals het RIVM in 2004 adviseerde, blijkt in een slagveld van lobbyisten en activisten een onmogelijke opgave.

Een CDA-Kamerlid werd door Vodafone ingepalmd met een gratis laptop en telefoonabonnement, gemeenten hebben hun voorlichting niet op orde; een enkeling verwijst bezorgde burgers zelfs door naar de telecomsector, actiegroepen voeden met succes het onveiligheidsgevoel, wethouders frustreren regeringsbeleid en gerenommeerde onderzoeksinstituten spreken elkaar tegen.

Economisch en maatschappelijk belang

Met de plaatsing van UMTS-zendmasten zijn grote maatschappelijke en economische belangen gemoeid. Iedereen wil bellen en belbedrijven willen daaraan verdienen. UMTS biedt namelijk een veel hogere transmissiesnelheid dan de oudere mobiele systemen GSM en GPRS. UMTS, ook wel de derde generatie voor mobiele netwerken genoemd, brengt internet, e-mail, het uitwisselen van foto’s en video’s en zelfs het voeren van een videoconference binnen handbereik voor de mobiele beller. De mobiele telefoons die nu op de markt komen, hebben deze functionaliteiten vaak standaard in zich.

Het Nederlandse bedrijfsleven is er dus alles aan gelegen om heel Nederland gedekt te krijgen. Mobiele telefoons worden bij de meeste abonnementen namelijk ‘gratis’ weggegeven. Niet het toestel, maar het dataverkeer genereert de omzet.

Toen de overheid in 2001 de licentie voor de UMTS-frequentie voor miljarden euro’s verkocht aan vijf ondernemingen, heeft zij toegezegd actief mee te werken aan de opbouw van het netwerk. In 2007, zo spraken overheid en telecombedrijven af, moet 70 procent van Nederland gedekt zijn. De tijd begint te dringen, want op dit moment is er pas een dekking 50 procent.

Ongerustheid over gezondheidsrisico’s

In de aanloop van de veiling van de UMTS-frequentie had de overheid maar één belang: een zo hoog mogelijke opbrengst van de licentieverkoop. Achteraf blijkt dat de eurotekens diezelfde overheid verblind hebben voor de groeiende onrust onder de bevolking over de mogelijke gezondheidsrisico’s die kleven aan de hoogfrequente elektromagnetische straling. Meer en meer mensen schreven hun gezondheidsklachten - zoals hoofdpijn, concentratieverlies, hartkloppingen, vermoeidheid, duizeligheid en slaapstoornissen – toe aan de aanwezigheid van een zendmast in hun woonomgeving.

Geen wetenschappelijk bewijs

Er verstreken twee jaren voordat de overheid deze onrust serieus begon te nemen. Het betrof immers a-specifieke klachten, die tal van lichamelijke en psychische oorzaken konden hebben. Onder druk van parlement en belangenverenigingen besloot de regering in 2003 toch onderzoek te doen. Ze gaf TNO opdracht de relatie tussen gezondheidsklachten en GSM- en UMTS-straling onder de loep te nemen. TNO rekruteerde daarop honderden proefpersonen uit de database van het Meldpunten Netwerk Gezondheid en Milieu (MNGM): dit betrof mensen die de afgelopen jaren bij het meldpunt aangeklopt hadden met de veronderstelling dat hun gezondheidsklachten weleens te maken zouden kunnen hebben met elektromagnetische velden in hun leefomgeving(1). De controlegroep bestond uit mensen die daar geen problemen van zeiden te ondervinden.

TNO stelde vast dat UMTS-straling in dezelfde lage dosis als waaraan mensen in de nabije toekomst op straat en in huis blootstaan, het welbevinden kan beïnvloeden(2). Kortom, de relatie tussen gezondheidsschade en GSM- en UMTS-straling was aangetoond. Niet een conclusie waar de overheid op zat te wachten, gezien haar verplichtingen aan belbedrijven. Een overheid die een licentie verkoopt en daarna intrekt omwille van de volksgezondheid, moet immers boeten voor dezelfde miljarden euro’s die ze destijds de telecomsector in rekening heeft gebracht. Althans, het is aannemelijk dat advocaten deze eis dan op tafel leggen.

Vervolgonderzoek was hiermee de enige strohalm waar de overheid zich nog aan kon vastklampen. Niet lang daarna, tot opluchting van de regering, ontkrachtte de Gezondheidsraad(3) de conclusies van TNO. “De raad concludeert dat met dit onderzoek geen wetenschappelijk bewijs geleverd is dat GSM- en UMTS-signalen van basisstations voor mobiele telefonie inderdaad zulke klachten kunnen veroorzaken.”

Op dit moment is er daarom geen hard wetenschappelijk bewijs voor een causale relatie tussen gezondheid en hoogfrequente elektromagnetische straling. Aan de andere kant: er is ook geen bewijs voor de veronderstelling dat GSM- en UMTS-straling géén risico oplevert voor de volksgezondheid. Hoewel het TNO-rapport van tafel is, heeft de overheid niets in handen om bezorgde burgers te overtuigen.

Verzet StopUMTS.nl

Eén van die bezorgde burgers is Etwald Goes. Toen hij als student in Utrecht op kamers ging wonen kreeg hij plotseling last van vermoeidheid en hartkloppingen, maar als hij op vakantie was of in het weekend bij zijn ouders, verdwenen de klachten als sneeuw voor de zon. Op internet zocht hij naar de oorzaak van deze a-specifieke klachten en kwam uit bij artikelen over mogelijke effecten van elektromagnetische velden. Daarop besloot hij een hoogfrequente veldsterktemeter aan te schaffen. Zijn metingen bevestigden volgens hem het vermoeden dat de reeks zendmasten op het dak van het ziekenhuis tegenover zijn flat zijn gezondheidsklachten veroorzaakten(4). Goes verhuisde en richtte kort erna de stichting StopUMTS op, momenteel het best georganiseerde verzet tegen de plaatsing van zendmasten.

De website van Goes’ organisatie, www.StopUMTS.nl, belichaamt en kanaliseert het gevoel van onveiligheid. Mensen die hun klachten toeschrijven aan UMTS- en GSM-straling kunnen er op de site via een forum over praten. Etwald Goes houdt de site actueel met artikelen, onderzoeksverslagen, een rubriek ‘veel-gestelde-vragen’ en folders. Ook maakt Goes briefwisselingen openbaar, waarin hij namens zijn bezoekers spreekt. Het zijn brieven naar de Gezondheidsraad, politieke partijen, politici, telecomproviders en patiëntenverenigingen. De site roept zo af en toe op tot actie. Op 16 april 2005 organiseerde StopUMTS voor bezorgde bewoners een demonstratie op de Dam in Amsterdam. In de aanloop van de demonstratie kwam er een debat los in de media, waar telecomoperators zich actief in mengden.

Lobby telecom

Tegelijkertijd doen telecombedrijven er alles aan de gemoederen te temperen en het politieke besluitvormingsproces – lees: het toewijzen van vergunningen voor plaatsing van zendmasten – te beïnvloeden. Daarin worden soms bedenkelijke stappen ondernomen.

In de reportage ‘Het lobbycircuit’ van Zembla van 13 mei 2004 doet Tweede-Kamerlid Staf Depla (PvdA) een boekje open over de lobbyactiviteiten van provider Vodofone. "Vodafone heeft kamerleden aangeboden om UMTS te testen. Dus een half jaar gratis laptop en telefoon. De één weigert het, de ander neemt het aan."  Depla heeft het aanbod destijds afgeslagen, maar CDA-parlementarier Jos Hessels en een niet nader genoemde europarlementariër lieten de gratis apparatuur niet aan hun neus voorbij gaan(5). Hessels heeft voor het CDA technologiebeleid, ICT en de Opta in de portefeuille. Voor de Opta, de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, is hij politiek woordvoerder(6). Deze overheidsinstantie houdt toezicht op de naleving van wet- en regelgeving op het gebied van post en elektronische communicatiediensten. Als parlementariër heeft Hessels de taak toegewezen gekregen er op toe te zien dat het toezicht van de Opta onafhankelijk plaatsheeft.

Tegenover Zembla bevestigde Vodafone dat haar lobbyafdeling mobiele toestellen heeft aangeboden aan parlementariërs. Volgens André van der Elsen, woordvoerder van Vodafone, betrof het slechts een ‘meetprogramma’, waarin politici kennis konden maken met “onze producten en diensten”. Het heeft volgens Van der Elsen niets te maken met “begunstiging richting een Kamerlid of wat dan ook”. Om goed beleid te maken, redeneert Van der Elsen, is het nodig dat Kamerleden weten wat de diensten van Vodafone inhouden. Dat ‘goede beleid’ kan kennelijk gestimuleerd worden door Kamerleden gratis laptops en telefoonabonnementen aan te bieden.

Voorlichting overheid

Waar het parlement en regering onder de voet worden gelopen door lobbyisten van telecomproviders, daar krijgen gemeenten steeds meer bezorgde burgers voor de deur; mensen die bij de gemeente informatie opvragen over mogelijke gezondheidsrisico’s van zendmasten in hun leefomgeving.

Alleen dat verloopt niet altijd van een leien dakje, zo constateerde de stichting Burger@Overheid in oktober 2005. Uit haar onderzoek(7) onder ongeveer 50 gemeenten blijkt dat gemeenten vaak niet thuis geven als er vragen worden gesteld. Ze zijn niet goed op de hoogte of ze schuiven de vragen als een hete aardappel door naar anderen. “Daarbij gaan sommige zo ver dat wordt door verwezen naar de telecomsector zelf”, schrijft Burger@Overheid. Eén gemeente liet een vraag van een bezorgde burger beantwoorden door Mobiele Netwerkoperators Nederland (MoNet), het samenwerkingsverband van de vijf mobiele-netwerkoperators in Nederland: KPN, Orange, Telfort, T-Mobile en Vodafone. “Het is alsof de slager zijn eigen vlees mag keuren”, schrijft Burger@Overheid verontwaardigd.

Het overheidsloket dat wel verstand van zaken heeft is het Antennebureau. Hier kunnen burgers, gemeenten, gebouweigenaren, antenne-eigenaren, woningcorporaties en zorgverleners terecht met vragen over wet- en regelgeving, de bestaande en geplande locaties van zendmasten en studies over de relatie tussen gezondheid en elektromagnetische straling.

Bij het Antennebureau hebben ze er de handen vol aan, schrijft de Volkskrant(8) op 19 april 2006. Drie tot zes keer per week trekken medewerkers het land in om te spreken op voorlichtingsbijeenkomsten. “Hun missie: burgers geruststellen dat een zendmast voor mobiele telefoons in hun achtertuin of op het dak van hun woning geen risico’s oplevert voor hun gezondheid”, aldus de Volkskrant . Een merkwaardige missie voor een overheid die tot taak heeft haar burgers objectieve informatie te verschaffen. Elke wetenschappelijke basis ontbreekt immers voor een no-risk-betoog. Of burgers bij die voorlichtingsbijeenkomsten onafhankelijke informatie krijgen is dan ook zeer de vraag. Zo houden vertegenwoordigers van KPN spreekbeurten op de voorlichtingsavonden voor bewoners, constateerde StopUMTS.nl.

Op Antenneregister.nl, een dienst van het Antennebureau, kan iedereen - door zijn postcode in te voeren - een kaart genereren met locaties van GSM/UMTS-antenne-installaties.

Opstandige gemeenten

Gemeenten laten zich, mede door gebrek aan kennis en hun directere relatie met de burger, meer dan het Rijk leiden door de risicogevoelens onder de bevolking. Volgens StopUMTS.nl zijn er al zo’n vijftig gemeenten die vergunningen voor de bouw van antennes hebben geweigerd. “De onrust onder bewoners laten zij dan veelal zwaarder wegen dan wat wetenschappelijke autoriteiten verkondigen. Zodra er politieke druk wordt uitgeoefend, door media of burgers, verschuift de prioriteitsstelling”, analyseert mediasocioloog Peter Vasterman in het maandblad(9) van het Expertisecentrum Risico- en Crisiscommunicatie (ERC) van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Acties tegen de plaatsing van UMTS-zendmasten worden uitvergroot door de media en vervolgens opgepakt door lokale politieke partijen, vervolgt Vasterman. “Het resultaat is dat er nu naast gemeenten ook woningbouwverenigingen zijn die weigeren nog langer UMTS-zendmasten te plaatsen op gebouwen in dichtbevolkte gebieden. Zij voeren het argument dat ze eerst uitsluitsel van de wetenschap willen afwachten dat het niet schadelijk is, voordat ze nieuwe masten gaan plaatsen.”
Een sprekend voorbeeld in deze is het besluit van de gemeente Lelystad. Begin juli 2005 meldde het college van B&W het volgende(10): "Om de inwoners van Lelystad niet bloot te stellen aan stralingen waarvoor mogelijk risico’s bestaan, wordt geen medewerking verleend aan het plaatsen van de genoemde masten. Ook eigenaren van gebouwen die geschikt zijn voor het plaatsen van een UMTS-mast worden verzocht dit niet toe te laten. Het college wil eerste de resultaten van de onderzoeken afwachten.”

Klassieke risicocommunicatie

De redenering van het college – eerst resultaten onderzoek afwachten, tot die tijd niet plaatsen – staat haaks op die van het kabinet. In de reportage ‘Ziek van mobiel bellen’ van Zembla (december 2004) redeneerde(11) Brinkhorst van Economische Zaken alsvolgt: zolang niet onomstotelijk is vastgesteld dat UMTS schadelijk is voor de gezondheid, is er geen enkele reden om de uitrol van het netwerk te belemmeren. Brinkhorst benadrukte in de uitzending dat er aan UMTS “grote maatschappelijke belangen kleven”.

Dit is volgens Peter Vasterman de bekende patstelling. “Mensen maken zich zorgen, maar onderzoek heeft nog geen hard bewijs gevonden voor een link tussen gezondheidsklachten en de UMTS-zendmasten. In het oude zender-boodschap-ontvanger schema is dat de boodschap van de overheid: er is geen enkele reden voor ongerustheid. De risico’s zijn verwaarloosbaar klein.”

Angstmanagement

In de slepende discussie over UMTS varen Rijk en gemeenten dus onderling een andere koers. Zowel in risicocommunicatie als in besluitvorming. Gemeenten richten zich steeds minder op wetenschappelijke studies en hechten steeds meer belang aan het oordeel van de burger; ook als die niet wetenschappelijk beargumenteerd kan worden.

De criminoloog Van de Bunt laakt deze houding van overheden, getuige zijn rede(12) voor de Vrije Universiteit Amsterdam in 2003. Hoewel hij het criminaliteitsbeleid onder vuur neemt, heeft zijn argumentatie alles te maken met de discussie die nu speelt rondom de plaatsing van zendmasten. Van de Bunt waarschuwt dat criminaliteitsbeleid steeds meer het karakter krijgt van angstmanagement. “Het Wetboek van Strafrecht is niet langer het kompas waarop de overheid vaart bij de bestrijding van maatschappelijk ongewenst gedrag, maar de risicogevoelens onder de bevolking.” Een gevaarlijke ontwikkeling, aldus Van de Bunt, want angst- en onveiligheidsgevoelens zijn onverzadigbaar. Bovendien gaat al die aandacht ten koste van vormen van criminaliteit die een veel grotere economische schade leveren, meent hij.

Nuchter omgaan met risico’s lukt niet

In de publicatie ‘Nuchter omgaan met risico’s’ (2004) probeert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een antwoord te geven op de vraag hoe de overheid om dient te gaan met dit soort dilemma’s. De ‘nuchterheid’ die het RIVM propageert komt er echter op neer dat de overheid “met alle relevante factoren”(13) rekening moet houden in haar risicocommunicatie en politieke afwegingen: wetenschappelijke studies, beschikbare alternatieven, kosten én risicobeleving.

De praktijk leert echter dat de moderne, mondige samenleving daar geen genoegen mee neemt. Zolang de overheid de burger niet kan overtuigen dat de uitrol van het UMTS-netwerk geen gezondheidsschade oplevert, blijven de protesten voortduren. Dat brengt niet alleen maatschappelijke onrust met zich mee, maar ook bestuurlijke conflicten: bijvoorbeeld de wethouders die kabinetsbeleid aan hun laars lappen. Met zo’n overheid valt moeilijk zaken te doen.

Directeur Niek-Jan van Damme van T-Mobile verwoordde dat treffend in het Financieele Dagblad(14). “De overheid verplicht ons het netwerk tijdig op orde te brengen, maar diezelfde overheid verbiedt ons masten te plaatsen.”

BRONNEN:
  1. Reus, J. 'Jaarverslag 2003'; Meldpuntennetwerk Gezondheid en Milieu (MNGM), 2004
  2. Zwamborn, A.P.M. e.a. 'Effects of Global Communication system radio-frequency fields on Well Being and Congnitive Functions of human subjects with and without subjective complaints', TNO Physics and Electronis Laboratory, september 2003
  3. Knottnerus, J.A. e.a. 'TNO-onderzoek naar effecten van GSM- en UMTS-signalen op welbevingen en cognitie. Beoordeling en aanbevelingen voor nader onderzoek.'; Gezondheidsraad, 28 juni 2004
  4. Goes, E. 'Wie is de initiatiefnemer van StopUMTS.nl?', StopUMTS.nl, 30 juni 2004
  5. Driehuis, K. e.a. 'Het lobbycircuit'; VARA (Zembla), 13 mei 2004
  6. Hessels, J. 'Portefeuille Jos Hessels op JosHessels.nl', CDA, 2006
  7. Poelmans, M. e.a. 'Overheid: geen goede antenne voor informatievoorziening - Een onderzoek van burger@overheid naar informatievoorziening aan burgers over GSM- en UMTS-masten', Burger@Overheid, oktober 2005
  8. Ammelrooy, van P. 'Telecom vreest 'aluminiumfolie-spook'; De Volkskrant, 19 april 2006
  9. Vasterman, P. 'Risico- en crisiscommunicatie: oude valkuilen, nieuwe dilemma's'; Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 24 mei 2005
  10. Persdienst. 'Geen plek meer voor UMTS masten in gemeente Lelystad'; Gemeente Lelystad, 1 juli 2005
  11. Maat, M. Driehuis, K. 'Ziek van mobiel bellen'; VARA (Zembla), 16 december 2004
  12. Bunt, H.G. van de 'Op het kompas van het onveiligheidsgevoel. De grens van onveiligheid (diesrede)'; Vrije Universiteit Amsterdam, 2003
  13. Egmond, van N. D. e.a. 'Nuchter omgaan met risico's'; MNP, RIVM, 2004
  14. Willems, L. 'Plaatsing umts-masten frustreert T-Mobile', Het Financieele Dagblad, 18 april 2006


'Je moet compleet freak zijn van je vakgebied'

Magazine Sax, 1 mei 2006
'Je moet compleet freak zijn van je vakgebied'


Projecten in België en Maleisië, een eigen adviesbureau, een netwerk van gerenommeerde wetenschappers en je eigen congres organiseren; menig jongensdroom van een carrièrejager zal er zo uit zien.

Door Steven de Jong

Ton van der Ent (23) en Chantal Termeer (22) - beiden student Milieukunde met het profiel Natuur, Milieu en Landschap aan Saxion Hogescholen – konden niet wachten en realiseerden dit alles al tijdens hun studie. “Je moet compleet freak zijn van je vakgebied.”

Het succesverhaal begon toen Ton in 2004 op vakantie ging naar Maleisië. Daar ontmoette hij een gids die lid was van de natuur- en milieuorganisatie REACH, wat leidde tot een afstudeeropdracht voor beide studenten: het opzetten van een 'Adopt-a-River'-project in het gebied Cameron Highlands in Maleisië, met financiële steun van Waterschap Rivierenland. 

Rivier adopteren

"Adopt-a-River is een principe wat al jaren bestaat; alleen wij hebben het opgezet in Maleisië", legt Ton uit. Chantal en Ton hebben een handleiding geschreven voor de opzet van het project. Wat de gedachte achter het adopteren van een rivier is, wordt duidelijk als Ton vertelt over het resultaat van zijn afstudeerstage. "Bewoners gaan nu water van de rivier in hun dorp iedere maand ėėn keer testen, met hulp van het WWF en REACH. Deze informatie plaatsen ze op een website, zodat iedereen het kan lezen. Om de zoveel tijd wordt er ook een rapportje of een folder van gemaakt."

Alvorens de belangrijkste rivier in het gebied Cameron Highlands ter adoptie gesteld kon worden, hebben Chantal en Ton uitvoerig onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico’s van het oppervlaktewater als drinkwater. Aanleiding vormde de kindersterfte in onder andere Maleisië als gevolg van vervuild drinkwater. Vandaar ook het belang om de lokale bevolking te betrekken bij het verbeteren van de waterkwaliteit. “Het gaat allemaal om bewustwording in zo'n project; mensen moeten het zelf gaan zien”, aldus Ton. Ter ondersteuning van zijn filosofie schudt Ton een citaat van de gerenommeerde wetenschapper Holdgate uit zijn mouw: “The ecologist cannot remain a voice crying in the wilderness – if he is to be heard and understood.”

Het werk van de Deventer studenten bleef niet onopgemerkt. Naast alle aandacht van nationale officials en de nationale pers in Maleisië, omarde ook het WWF het project van Ton en Chantal. Daarnaast voert nu ook the National Health Office van Maleisië aanvullend onderzoek uit in het gebied.

Zinkflora

Of ze het niet al druk genoeg hadden, hebben de twee ondernemende studenten tijdens hun studie ook een adviesbureau opgericht. Van daaruit runnen ze de vereniging Nouvelle Montagne. “Wij doen wat Natuurmonumenten in Nederland doet”, legt Ton uit. Met deze vereniging richten ze zich op het ontwikkelen, beheren, restaureren en openstellen van oude mijnbouwlocaties in het Boven-Geuldal, in samenwerking met de Belgische lokale overheid. Aanleiding daartoe is de afname van het areaal aan zinkflora, vegetatie welke voornamelijk voorkomt in gebieden met een hoge concentratie aan zink- en lood in de bodem; ofwel locaties met een mijnbouwhistorie. Door de sluiting van de mijnen, zal ook deze botanische rariteit verdwijnen. En dat is zonde.

“Met Nouvelle Montagne willen we eigenlijk drie dingen; een tak projectmanagement en advisering voor natuurontwikkeling en beheer. Een tak educatie; dus het geven van cursussen en excursies. En een tak mijnbouwontwikkeling, waarin het beheren en exploiteren van oude mijnbouwlocaties centraal staat”, vertelt Ton. Chantal: “De mijnbouwhistorie sprak mij erg aan. Binnen de opleiding was het mogelijk om diverse onderzoeken en opdrachten in het gebied uit te voeren, zo hebben we ook veel contacten gelegd. En via dat netwerk worden wij regelmatig benaderd voor advies.”

Vakidioten
De twee zijn goed op elkaar ingespeeld. “We delen dezelfde interesses en het enthousiasme, daarbij vullen we elkaar heel goed aan. Waar Chantal organisatorisch en communicatief heel goed is; bedenk ik de meest gekke projecten. En gecombineerd wordt dat nog iets beter zeg maar”, aldus Ton. Grote vraag blijft natuurlijk wat de sleutel van hun succes is. “Haha, gewoon door hard te werken”, relativeert Ton. “Ik ben er niet vies van om zeven dagen per week, twaalf uur per dag door te gaan. In Maleisië hebben we dat samen vijf maanden gedaan. En heel veel dingen zijn gewoon te combineren; projecten voor studie, kun je ook gebruikten voor je bedrijf bijvoorbeeld.” Volgens Chantal is juist ‘enthousiasme’ heel belangrijk. “Steeds meer willen weten van een gebied past gelukkig binnen mijn opleiding en toekomstige werkveld.” Ton gaat nog een stukje verder. “Je moet compleet freak zijn van je vakgebied. Ik vind landschapsecologie, mijnbouwkunde en mineralogie echt geweldig; wil ik alles over weten. De zinkflora heeft een beetje van allemaal; en dus een prachtig iets om mee bezig te zijn. Gelukkig zijn er veel meer vakidioten, dus dan vind je wel aansluiting.”

Specialiseren en netwerken

Volgens Ton zijn er drie zaken waar een carrièrejager op moet letten. “Zorg dat je een specialisme kiest waar je heel goed in bent, werk dag en nacht om er beter in te worden en zorg dat de juiste mensen dat weten. Netwerken is heel belangrijk.” 

Zinkflora, het zeldzame natuurverschijnsel waar Ton en Chantal onderzoek naar deden, is hun specialisme geworden. Deze kennis gaan ze nu delen op het internationale Zinkflora-congres op 19 en 20 januari in het Belgische Kelmis, welke ze zelf georganiseerd hebben. Ton: “Dit congres is het perfecte middel om met vakgenoten te communiceren. En dan bedoel ik niet alleen op het congres zelf; maar voornamelijk in de aanloop en opzet ervan.”

Spam op hogescholen

Magazine Sax, 27 april 2006
Spam op hogescholen


Met een druk op de knop is het mogelijk heel Saxion Hogescholen aan de viagra- en afslankpillen te helpen. Handig om een zakcentje bij te verdienen, zou je denken. Maar met diezelfde druk op de knop kun je jezelf ook aardig in de nesten werken. Tussen januari en maart dit jaar zijn twaalf personen op Saxion gestraft voor mailmisbruik.

Door Steven de Jong

Per dag versturen medewerkers en studenten van Saxion gemiddeld 70.000 e-mails. Volgens Rudy Orriens, administrator van de Saxion netwerksoftware Lotus Domino, zijn er zelfs uitschieters van 100.000 mails per dag gemeten. Met 25.656 mailaccounts komt dat neer op ongeveer 3 e-mails per persoon per dag.

De e-mails die van buitenaf de mailboxen van Saxion bereiken zijn hier niet in meegeteld. Deze worden wel gecontroleerd op virussen en spam. De grootste zorg zou je denken, want het gevaar verwacht je immers van buiten. Toch is dat niet helemaal het geval...

Autorisatie

Ook binnen de muren van Saxion houden zich spammers op. Medewerkers en studenten die de verleiding niet kunnen weerstaan om hele klassen te bestoken met commerciële boodschappen. Dat kan ook heel gemakkelijk, via het adressenboek. Formeel moet de afdeling Communicatie autorisatie geven voor verzendingen naar grote groepen, maar technisch gezien is er geen beletsel om de regels voor mailgebruik te overtreden. Het systeem blokkeert geen binnenmuurse spam.

Spam

Zo kon het gebeuren dat in januari 8000 studenten opgeroepen werden een afslankproduct product te kopen. Via een mail met als onderwerp 'BODY-LICIOUS, for a delicious body'. Diezelfde maand zag iemand van Saxion het mailsysteem aan voor een vacaturebank. Zijn e-mail 'GEZOCHT - Horeca personeel' bereikte 6000 mailboxen.

Kettingreactie

"Ieder mailmisbruik levert vele tientallen, tot soms wel honderd, klachten bij de helpdesk op; zowel per e-mail als telefonisch", zegt Marion van Alstede, procesmanager van het Informateriseringscentrum. "Dit genereert op deze wijze erg veel werk. Dit komt ongeveer enige keren per maand voor." Maar het hek is pas echt van de dam als ontvangers hun ongenoegen gaan uiten via de ‘reply to all’, niet beseffend dat ze dan precies hetzelfde doen als de spammers waar ze zo’n hekel aan hebben. “Dat veroorzaakt een kettingreactie”, aldus Van Alstede.

ICT-gedragscode

Op het intranet van Saxion is te lezen waarvoor de e-mail wel en niet gebruikt mag worden. De ICT-gedragscode maakt onderscheid tussen studenten en medewerkers, aangezien deze een verschillende rechtspositie hebben. Op ‘het zonder accordering van de afdeling Communicatie versturen van e-mail aan grote groepen gebruikers’ kunnen studenten gesanctioneerd worden met het ontnemen van hun mail- en netwerkaccount gedurende twee weken tot, in het meest ernstige geval, een jaar. Medewerkers krijgen bij dezelfde overtreding een waarschuwing, schriftelijke berisping of schorsing aan hun broek. Ook op het versturen van kettingbrieven staan soortgelijke disciplinaire maatregelen.

Gewone leven

Verder staan straffen op 'het zich toegang verschaffen tot e-mail berichten van andere gebruikers', 'het e-mail adres van een ander gebruiken als afzender' en het 'kopiëren, wijzigen of wissen van andermans e-mail'. Kortom, zaken die in het gewone leven ook niet toelaatbaar zijn; zoals het schenden van briefgeheim, het plegen van valsheid in geschrifte en het stelen van iemands spullen uit een ladekastje.

Veroordeelden

De straffen die Saxion reeds aan mailmisbruikers heeft uitgedeeld variëren van twee weken tot één maand ontzegging van de mailtoegang. Wie deze veroordeelden zijn, krijgt Sax niet te weten. “Ik kan hiervan geen concrete voorbeelden noemen in verband met de privacy van de betrokkenen”, aldus Van Alstede. Daar nam Sax geen genoegen mee. Onze fotograaf ging op onderzoek uit en legde een mailmisbruiker op de gevoelige plaat vast.

Kerkbetrokkenheid neemt af, zoektocht naar bezieling niet

Magazine Sax, 29 maart 2006
Kerkbetrokkenheid neemt af, zoektocht naar bezieling niet


De studenten die op zondagochtend psalmen zingen zijn op een hand te tellen. Toch heeft Saxion Hogescholen nog een studentenpastor, Arent Weevers. Hij maakt zich niet zo’n zorgen om het afnemende kerkbezoek en geeft als beeldend kunstenaar op geheel eigenwijze invulling aan zijn functie. “Kerkbetrokkenheid neemt af, maar het zoeken naar bezieling blijft altijd.

Door Steven de Jong

Dat jongeren het laten afweten, concludeerde ook het CBS in 2004. Minder dan 10 procent van de 18 tot 24-jarigen gaat wekelijks naar de kerk. Onderzoekers van de Erasmus Universiteit stelden eerder al vast dat van alle jongeren tussen de 15 en 24 jaar tweederde orgel en dominee mijdt.

Studenten geïnteresseerd in geestelijke wereld

Met deze cijfers op zak en het vooroordeel dat de studentenpastor een 'uitstervend beroep' is, stapte Sax op Arent Weevers af, de studentenpastor van Saxion Hogescholen in Deventer. Weevers, die formeel in dienst is van de Protestantse Kerk Deventer – “zie het als een kadootje van de kerken” -, maakt met die aanname korte metten. "Een studentenpastor is geen roepende meer in de woestijn", beweert hij zelfs. "Steeds meer studenten zijn geïnteresseerd in de geestelijke wereld." 

Weevers geeft toe dat de kerkbetrokkenheid afneemt, maar zet daar tegenover dat "het zoeken naar bezieling" altijd blijft. Dat onderscheidt de mens van het dier, legt hij uit. "De mens is zich bewust van zijn tijdelijkheid hier op aarde en wil er het beste van maken met zijn vrienden, tijdens zijn studie en in het werk."

Spiritualiteit of ietsisme?

Het zoeken maar niet vinden, wordt de laatste jaren aangeduid met 'ietsisme'. Een term die Buitenhof-columnist Ronald Plasterk introduceerde. Ietsisme, het woord zegt het al: aanhangers hiervan geloven dat er 'iets' is, maar weigeren het God of Allah te noemen. Het is een religieus en armzalig en irritant tijdsverschijnsel, beweerde Plasterk. Veertig procent van de bevolking 'lijdt' eraan, zo bleek uit onderzoek van Trouw in 2004.

Weevers heeft niet zo’n moeite met het ietsisme. "Dat 'iets' noemen ze dan geen God, maar bijvoorbeeld 'Kracht'. Dat maakt het zo boeiend om met studenten van verschillende achtergronden daar over te horen." Volgens Weevers is God de kern van ieders spirit. "In die zin draagt iedereen een kleurrijk mozaïekstukje van God bij zich. Kracht vitaliseert het leven. En bij blokkades ga ik daar samen met de student naar op zoek. Maar wat net zo belangrijk is: hoe versterk ik mijn geestelijke bron? De één doet dat met Jezus, Mohammed, Etty Hillesum of andere ‘helden’ die zich belangeloos hebben ingezet voor idealen. Een ander steekt een kaars aan, brandt wierook, zit stil of wandelt in de natuur. Iedereen doet dat op zijn eigen unieke manier."

In zijn werk probeert Weevers samen met de student te ontdekken ‘wat zijn of haar belangrijkste drive is’. “Maar ik ben geen hulpverlener”, werpt hij tegen. Het doet hem zelf ook goed om over de zingeving met studenten te praten. “Voor mij zijn de gesprekken met studenten zeer dynamisch. Over hun leven, over hun drijfveren, inspiratie en creativiteit. Wanneer ze het over hun passie hebben vind ik dat zeer inspirerend. Ook mijn vrouw Marion, mijn kinderen en mijn vrienden inspireren me. Ik maak elke dag wel iets mee waarvan ik denk: ‘wat bijzonder is dat’. Mensen inspireren mij altijd.”

De student centraal

Onder de naam ‘Heart and Soul’ organiseert Weevers activiteiten, die allemaal met spiritualiteit te maken hebben. Geheel conform zijn filosofie “op zoek naar datgene wat jou in beweging zet” zet hij de student centraal. Momenteel geeft hij de cursus ‘Spiritualiteit en Videokunst’ en begeleidt hij een groep van ongeveer 15 studenten om ‘one minute movies’ te maken naar aanleiding van hun gedichten. Verder zijn er een kloosterweekend, een tentoonstelling en filmavonden in de maak. “Ik werk nu met een erg creatieve en dynamische groep”, aldus Weevers.

Eén van die creatieve studenten is Elisa Ostet (21), van de opleiding Kunst en Techniek aan de Saxion Hogeschool te Enschede. “De workshop Spiritualiteit en videokunst is niet helemaal hetzelfde als de andere workshops die aan Saxion gegeven worden”, legt ze uit. “Naar aanleiding van diverse films van videokunstenaars gingen we met de groep in discussie over wat spiritualiteit inhoudt. Je merkt dat iedereen op zijn eigen manier met spiritualiteit omgaat. Soms waren de gesprekken erg confronterend. De opdrachten die je mee naar huis kreeg waren ook niet altijd even makkelijk. De ene keer ging het over de inhoud en betekenis van de film, de andere keer moest je opschrijven wat je inspiratiebronnen zijn.”

Geloven is liefhebben

Van huis uit is Elisa rooms-katholiek opgegroeid. “Dat betekende bij ons dat je naar de kerk ging tijdens bijzondere dagen en daarnaast werd ingewijd door bijvoorbeeld de doop.” Hoewel ze misdienaar was, is ze nu niet meer kerkelijk actief. “In mijn dagelijks leven betekent geloven niet iedere dag bidden, de Bijbel lezen of naar de kerk gaan. Geloven is voor mij de mensen om mij heen liefhebben, de goede dingen doen, stilstaan bij het geluk en de bijzondere en fijne dingen die je tegenkomt in je dagelijks leven.”

Arent Weevers benadrukt dat iedereen bij hem binnen kan lopen (kamer AO.33, Deventer), ook niet-gelovigen. Hij is via zijn emailadres a.j.weevers@saxion.nl te bereiken voor het maken van programma's die met zinvragen en bezieling te maken hebben of voor een persoonlijk gesprek. Volgend cursusjaar lanceert hij de website www.HeartandSoul.nl, waar alle activiteiten op komen te staan.

Burgers, spring van het dek en globaliseer

Politiek-digitaal.nl, 6 maart 2006
Burgers, spring van het dek en globaliseer


In 1602 gaf Nederland met de VOC de aanzet tot de globalisering van economieën. Nu, ruim vierhonderd jaar later, kampen we met een compleet verinstitutionaliseerde globalisatie.

Door Steven de Jong

Multinationals en supranationale overheidsorganen waar we nauwelijks grip op hebben. Kunnen we nog het roer overnemen van de stuurloze VOC-schepen van de 21ste eeuw, of wordt het tijd om als anti-globalist het systeem omver te werpen?

Thomas Friedman ziet heil in geen van beiden. Na de staten en bedrijven is het nu de beurt aan individuen om te globaliseren, meent de auteur van het boek ‘The World is Flat’.

Wie ‘globalization’ invoert op Google krijgt 107 miljoen treffers. En bijna even zoveel meningen naar zijn hoofd geslingerd. Dat is niet verwonderlijk. Globalisatie gaat over het dichter bij elkaar komen, of zelfs integreren, van verschillende maatschappijen, culturen en economieën. Netwerken waarin mensen kapitaal, kennis, informatie en ideeën vrijelijk kunnen uitwisselen. Het slechten van de barrières die deze vrije stromen van goederen, kennis en individuen belemmeren noemen we globalisering.

Toch gaat globalisering niet alleen over het opengooien van landsgrenzen en het opheffen van handelsbarrières. Globaliserende staten maken vooral ook afspraken. Supranationale organisaties als de EU, NAVO, Wereldbank, WTO, ECB en de VN zijn daar het bewijs van. In de zakenwereld zien we vliegmaatschappijen, adviesbureaus, elektronicaconcerns en fastfoodketens in rap tempo multinationaliseren, allianties aan gaan of zelfs fuseren.

Gouden of Rode Eeuw?

Maar globalisering is niet iets van de laatste jaren, het gaat momenteel alleen sneller. Zowel door efficiëntere land-, lucht- en zeetransporten, als door de mogelijkheden die moderne communicatiemiddelen met zich meebrengen. Tegenstanders, verenigd onder de noemer anti-globalisten, menen dat verdere liberalisering van de internationale handel niet iedereen ten goede komt. Een stelling die teruggevoerd kan worden op de vorming van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in het jaar 1602. De VOC was de eerste echte multinational en gaf zelfs aandelen uit. Ze bedreef onder de vlag van de Nederlandse overheid handel met Aziatische landen en sloot internationale verdragen. Wie niet samen wilde werken met de VOC werd naar Oudhollands gebruik gekoloniseerd, vermoord of afgeperst. Wie niet voor het VOC wilde werken werd tot slaaf beëdigd en in het scheepsruim geladen. Niet iedereen plukte dus de vruchten van ons globaliseringspionierschap, waar Nederland de Gouden Eeuw aan te danken heeft.

We moeten ons er van bewust blijven dat het bevaren van de wereldzeeën direct voortkwam uit economische begeringsdrift en nationale machtswellust. De VOC gooide immers zijn trossen in den vreemde niet uit om ontwikkelingswerk te verrichten, maar meerde aan om te kijken of er wat te halen viel. Zo kon het gebeuren dat gastheren niet altijd op onaangekondigd bezoek zaten te wachten en militair beter uitgerust bleken. Wat doe je dan? Dan neem je goud mee; teneinde het op structurele basis te kunnen ruilen tegen kostbare specerijen. Dit welgemeende eigenbelang van waaruit de kapitalistische VOC-globalisten opereerden, bleek dus ook een positieve uitwerking te hebben; arme streken vergaarden welvaart door goederen af te zetten aan rijkere landen.

Geïnstitutionaliseerde globalisatie

Moderne multinationals en supranationale overheidsorganen mogen dan de strategische opvolgers van de VOC zijn, maar in wezen verschilt de basis van de moderne handelswijzen en verdragen nauwelijks met die van de 17e eeuwse pioniers. Wel zijn er meer varianten gekomen, en is één en ander beter geformaliseerd en gepolitiseerd: op economisch, politiek en militair gebied. Financierings- en kapitaalstromen zijn geïnstitutionaliseerd, wet- en regelgeving wordt meer en meer tussen landen gelijkgetrokken en transport- en fabricageprocessen zijn geïndustrialiseerd. Grenzen van nationale staten slijten langzaamaan af.

Ethisch globalisme

Voorstanders van globalisatie verkondigen dat dit kapitalistische proces bevorderlijk is voor de verspreiding van liberale, democratische waarden en een stimulans is voor emancipatie van onderdrukte en onderontwikkelde volkeren. Dat laatste is echter geen vanzelfsprekend effect van de vrije markteconomie. Zonder toeziend oog van alerte media en publieke druk, ontspruiten er immers nieuwe vormen van uitbuiting of slavernij; denk aan Braziliaanse boeren die door Europese landbouwsubsidies nauwelijks meer iets kunnen afzetten. Of erger nog, denk aan Aziatische kinderen die vastgeketend tapijtjes in elkaar knopen voor rijke westerlingen. Beducht voor schandalen, heeft in het internationale handelswezen de afgelopen jaren het zogenaamde ethisch globalisme intrede gedaan. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) is een handelsmerk geworden.

Democratische achterstand

Wat voorstanders van globalisme echter vergeten, is dat het concept van representatieve democratie de mondiale ontwikkelingen niet bij heeft kunnen benen. Joseph Stiglitz, voormalig topeconoom bij de Wereldbank, luidde daarom de noodklok in zijn boek ‘Globalisation and its discontents’ (2002): “The most fundamental change that is required to make globalization work in the way that it should is a change in governance.” Maar Stiglitz is een opportunist. Hij gelooft dat met een eerlijkere verdeling van zetels in instituties als de WTO en het IMF, meer transparantie en meer gekozen functionarissen het globalisme uiteindelijk zijn democratisch deficit kan overwinnen. Maar los van het feit dat een volledig verbureaucratiseerd globalisme onwenselijk of zelfs onmogelijk is, kunnen we in de moderne wereld niet meer tegengaan dat deelbelangen boven collectieve belangen komen te staan. Zo kan de VS in zijn eentje mondiaal klimaatbeleid (Kyoto) tegenwerken, omwille van de gunst van ingezeten conglomeraten. Landen in het Midden-Oosten dreigen de oliekraan dicht te draaien als de wereldpolitiek hen niet zint. Globalisme leek ons op het eerste gezicht vrijer gemaakt te maken, maar eigenlijk hebben we er afhankelijkheid voor teruggekregen. Er hoeft maar één schakel in de keten het te begeven of een heel productieproces ligt plat. Burgers van Europese lidstaten voelen de democratische controle op instituties en regeringen uit hun handen glippen, zo bleek al uit het publieke debat over de Europese Grondwet.

VOC-schepen van de 21e eeuw

Politieke en economische opschaling en de klassieke vorm van representatieve democratie gaan allang niet meer hand in hand. Mobiliteitstoename en wereldwijde communicatienetwerken hebben een nieuw en ondoorzichtig mondiaal politiek systeem gecreëerd. Geïnstitutionaliseerde globalisatie heeft nationale staten militair, monetair en cultureel afhankelijk gemaakt. Internationale politiek is achtertuinpolitiek geworden. Staten en individuen maken een steeds kleiner deel uit van het geheel, terwijl het geheel een steeds grotere invloed heeft op het individu en de staat. Deze nieuwe werkelijkheid leidt tot fricties in de samenleving die formeel niet meer op concrete personen en instanties gebotvierd kunnen worden, simpelweg omdat een soevereine regie ontbreekt. Multinationals en supranationale overheidsorganen zijn de VOC-schepen van de 21e eeuw geworden. Autonome organen die, crux gezegd, kunnen interveniëren waar en wanneer ze maar willen.

De aarde is plat

Kunnen we nog ontsnappen aan deze stuurloze VOC-schepen? Allicht, maar dan moeten we niet – zoals Stiglitz betoogt – het roer over proberen te nemen. Want globalisme heeft het welvaartspeil wereldwijd een enorme impuls gegeven, het is zonde als we dat met bureaucratisch gehakketak de nek omdraaien. Een terugval naar geïsoleerde naties is immers geen optie meer. Hoop kunnen we putten uit de analyse van Amerikaanse auteur Thomas Friedman. In zijn boek ‘The World is Flat - The Globalized World in the Twenty-first Century’ betoogt hij dat we slechts in een tussenfase zitten. Volgens hem zit er een volgorde in globalisering: eerst landen, dan bedrijven en als allerlaatst komen de individuen aan de beurt. Waar vroeger de internationale handelsroutes alleen bereden konden worden door vertegenwoordigers van regeringen en bedrijven, hebben burgers aller landen nu de mogelijkheid om via internet zelf hun diensten aan te bieden. Friedman neemt als voorbeeld een Amerikaans callcenter met telefonisten in Azië: via een breedbandverbinding enquêteren deze Aziaten Amerikaanse consumenten voor Amerikaanse bedrijven. Recent werd bekendgemaakt dat voor 724.000 mensen in de VS Ebay (Amerikaanse versie van Marktplaats.nl) de belangrijkste inkomstenbron is. Dat zijn geen werknemers, maar volledig zelfstandige burgers die opereren op een niet-geografisch gebonden vrije markt.

Ontwikkeling Derde Wereld

De ‘platte aarde’ die Friedman voor ogen heeft, zou mensen in de Derde Wereld veel welvaart kunnen brengen. Want waarom nog onvruchtbare grond bewerken, als je via breedband internet kunt concurreren met de Westerse diensteneconomieën? Voedselproductie kan dan in ontwikkelingslanden - waar bijna iedereen boer is - met minder arbeidskracht af door efficiëntere technologie te installeren, zoals irrigatiesystemen en klimaatkassen. Afrikanen zijn in de wereld van Friedman niet meer veroordeeld tot traditionele, lage beroepen. Ze kunnen achter een PC kruipen, een on-line studie volgen aan de beste universiteiten en vervolgens hun diensten op een mondiale, niet-geografisch gebonden markt afzetten.

Globalisering van het individu

Cynici zullen zeggen dat de globalisatie van het individu nieuwe vormen van uitsluiting voort zal brengen. Wie niet om kan gaan met nieuwe communicatietechnologie, of daar niet de middelen voor heeft, zal de boot van de ‘globalisatie van het individu’ missen. Dat is echter te kort door de bocht. Natuurlijk zal niet iedereen volledig zelfstandig zijn diensten via het scherm kunnen en willen aanbieden, maar dat is ook de bedoeling niet. Het gaat om de differentiatie, om de niet-geografisch gebonden ontplooiing van individuen afzonderlijk. Dat zal er toe leiden dat armoede zich niet meer hoeft te concentreren, net als welvaart. De minder flexibele mens zal de vruchten plukken van de vooruitstrevende en globaliserende individuen in zijn directe leefomgeving. Welvaart zal vrij kunnen stromen volgens de wet van de communicerende vaten. Naar plaatsen waar voorheen geen welvaart te generen viel.

Onbegrepen ziektes: RSI, CVS en burnout

Magazine Sax, 5 maart 2006
Onbegrepen ziektes: RSI, CVS en burnout


RSI, CVS en burnout. Wie hebben er last van, en wat is het ziektebeeld eigenlijk? Gaat het om modekwalen of hebben deze onbegrepen ziektes wel degelijk bestaansrecht? Deskundigen leggen het uit.

Door Steven de Jong

RSI, voluit Repetive Strain Injury, is een aandoening waar 3,2 miljoen werkenden volgens TNO Arbeid last van hebben. Het betreft niet alleen maar beeldschermwerkers. Ook lassers, musici en mensen achter de lopende band hebben er last van. En kappers, maar liefst 49 procent.

RSI: het symptoom kent de oorzaak niet
RSI is dus meer dan een 'muisarm'. "Het is absoluut geen beeldschermklacht", verduidelijkte osteopaat Jules de Kort op Saxion Hogescholen in Deventer tijdens een lezing georganiseerd door Studium Generale. De alternatief genezer spreekt liever van CANS (Complaints of Arm, Neck and Shoulder). "RSI als zodanig bestaat niet, maar is te beschouwen als compensatieverlies." Compensatieverlies treedt volgens hem op als het lichaam niet in staat blijkt zichzelf te herstellen. De Kort onderzoekt zijn patiënten dan ook op de beweeglijkheid van hun lichaamsweefsels, en kijkt op de tweede plaats pas naar houdingscorrectie. Zo bleken de nek- en schouderklachten van één van zijn patiënten verband te houden met een fietsongelukje van 40 jaar geleden. Ook let hij op iemands eet- en leefstijl. “Als je op een avond anderhalve liter koffie drinkt, vraag je om problemen.”

TNO-onderzoeker Kiem Thé, de andere spreker op de bijeenkomst, gelooft ook niet dat het alleen aan de stoeltjes en tafeltjes ligt. In verwijzing naar het onderzoek van haar collega Swenneke van den Heuvel wijst ze op de psychosociale oorzaken: hoge taakeisen, weinig steun van de collega’s, overmatige betrokkenheid bij het werk, weinig pauzes nemen. "Deze factoren kunnen een volledig zelfstandige rol spelen in de ontwikkeling van RSI."

CVS: het chronisch vermoeidheidssyndroom
Dertigduizend mensen hebben er last van. Maar net als RSI en burnout, wordt het maar moeilijk als zelfstandig ziektebeeld erkend. We hebben het over CVS, ofwel het chronisch vermoeidheidssyndroom.

Professor Boudewijn van Houdenhove liet in een lezing van Studium Generale op 16 februari zijn licht schijnen over de onbegrepen ziekte. Hij legde uit dat het bij CVS in hoofdzaak gaat om een klinisch vastgestelde, onverklaarbare, voortdurende of steeds weerkerende vermoeidheid of uitputting die zes maanden of langer duurt. De vermoeidheidsklachten gaan gepaard met pijn, slaap- en concentratieklachten. Bij mensen die aan deze syndromen lijden, wordt meestal geen lichamelijke verklaring gevonden.

Ondanks de nevel waarin CVS gehuld is, zegt Van Houdenhove het etiket CVS "wel nuttig" te vinden. De patiënt wenst een diagnose-label, aldus de psychiater. Aan de hand van voorbeelden maakt Van Houdenhove duidelijk dat bij CVS ook psychosociale factoren meespelen. Bijvoorbeeld een posttraumatische ervaring, een moeilijke zwangerschap of een levenshouding van 'telkens maar willen zorgen voor anderen'. Opmerkelijk is dat 80 procent van de CVS-patiënten vrouwen zijn. Dat wijst volgens Van Houdenhove op sociale en hormonale factoren.

In januari 2005 schreef Van Houdenhove mee aan een advies van de Gezondheidsraad. Daarin stelde de raad dat totale rust de klachten uiteindelijk in stand houdt. “CVS-patiënten moeten het advies krijgen te doen wat ze nog kunnen, zo nodig na aanpassing van werk(tijden) in overleg met de bedrijfsarts.” De spreuk ‘rust roest’ is de rode draad in het advies.

Burnout: uitputting, cynisme en onbekwaamheid
Burnout, één op de tien heeft er last van. De Amerikaanse psychotherapeut Christina Maslach introduceerde de term begin jaren '70. Burnout verdeelt ze onder in drie samenhangende factoren. Uitputting, cynisme en verminderde persoonlijke bekwaamheid.

Op 7 maart hield psychotherapeut Carien Karsten een lezing over het onderwerp op uitnodiging van Studium Generale. Haar boek 'Omgaan met burnout' (2004) leidt ze alsvolgt in: "Van de ene dag op de andere verander je van een enthousiaste en gewaardeerde werker in een geestelijk wrak: cynisch, lusteloos en zonder perspectief." Met cynisch wordt bedoeld dat men afstand neemt van het werk en collega's. Persoonlijke onbekwaamheid, de term van Maslach, zou zich uiten in het gevoel dat men minder goed presteert dan in het verleden het geval was. Karstens boek maakt duidelijk dat bepaalde arbeidsomstandigheden ongemerkt tot chronische stress en daardoor tot uitputting kunnen leiden. In ‘Omgaan met burnout’ laat ze ervaringsdeskundigen aan het woord, tekenend hierbij is de volgende passage: “Ik foeterde en mopperde maar. Liep boos over de afdeling te klagen over de directeur en de werkdruk. Zo kende ik mezelf niet. Ik was veranderd van een supergestructureerd, hardwerkend mens in een chaoot. Ik had het gevoel dat er niets meer uit mijn handen kwam. Ik was niet meer effectief. Ik vergaloppeerde me, investeerde veel te veel in situaties en in mensen.”