donderdag 15 augustus 2013

Doekle Terpstra: 'Mensen worden dominant ten opzichte van kapitaal'

Politiek-Digitaal.nl, 7 juni 2006
Doekle Terpstra: 'Mensen worden dominant ten opzichte van kapitaal'


Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) moet niet geforceerd worden door regelgeving. Ook is het niet verstandig om op bedrijven een MVO-etiket te plakken. We moeten het zien als een emancipatieproces, dat van onderaf afgedwongen en vormgegeven moet worden. "Het moet in de genen zitten."

Door Steven de Jong

Dat zei Doekle Terpstra, de voorzitter van de HBO-raad, 1 juni op een congres op Saxion Hogescholen in Deventer. Volgens de oud-vakbondsleider is MVO geen modegril, maar een fundamentele trend. "Steeds meer mensen willen in toenemende mate zelf de regie nemen over datgene wat ze tegenkomen in hun leven. De slag om menselijk kapitaal zal op een andere manier plaatsvinden. De klassieke verbinding tussen arbeid en kapitaal gaat kantelen. Mensen worden in toenemende mate dominant ten op zichte van het kapitaal", voorziet Terpstra.

Onderwijs moet anticiperen

Deze trend heeft in zijn ogen een zelfde karakter als de vrouwenemancipatie. En daarom, zo stelt hij, worden organisaties door mensen gedwongen het MVO-concept te verinnerlijken. "Niet geforceerd door regelgeving, maar vanuit de intrinsieke beleving van mensen." Terpstra merkt op dat steeds meer mensen zich niet meer alleen willen verbinden met hun eigen professie. “Het hoger onderwijs moet daarop anticiperen”, bepleit hij. “Door opleidingen in een breder maatschappelijk perspectief te trekken.”

Overheid moet stap terug doen

De overheid zelf moet een stap terug doen, oppert Terpstra. "Zij bestaan bij de gratie der regelgeving. Neem nou Rutte: die schreeuwt van de daken dat hij wil dereguleren. Maar diezelfde Rutte heeft ons opgezadeld met meer dan tien maatregelen die de lastendruk in het hoger onderwijs verzwaren."

D66-lijsttrekkerskandidate Simone Kuiter zet in op wereldvrede

Politiek-Digitaal.nl, 7 juni 2006
D66-lijsttrekkerskandidate Simone Kuiter zet in op wereldvrede


Haar tegenstrever Pechtold bedient zich van de slogan 'Perspectief en Leiderschap', maar zulke retoriek heeft Simone Kuiter helemaal niet nodig. Deze kandidate voor het lijsttrekkerschap van D66 weet - dankzij een openbaring - wat de wereld tot 21 december 2012 te wachten staat.

Door Steven de Jong

Eerst "verlies van alles wat ons dierbaar is" en daarna "absolute vrijheid". Kuiters verlangen naar wereldvrede is de ruggengraat van haar politieke koers.

Simone Kuiter (31) timmert al langer aan de weg naar wereldvrede. In 2004 richtte ze de stichting For Love And Grow (FLAG) op. Vanuit deze stichting staat ze mensen met raad en daad bij die willen bouwen aan een duurzame en leefbare samenleving. Tot voor kort was ze lid van het Nationaal Comité 4 en 5 mei en bekleedde een bestuursfunctie in de Amsterdamse afdeling van D66.

Kuiter ambieert nu het lijsttrekkerschap omdat ze verlangt naar een “samenleving waarin de macht weer wordt teruggegeven aan haar inwoners. Waarin mensen zelf verantwoordelijk zijn voor het te voeren beleid, daar de benodigde middelen voor krijgen en kunnen aanwijzen wie dat beleid voor hen gaat uitvoeren.”

Een liberale gedachte die ze samenbrengt in de slogan: ‘Van verzorgingsstaat naar een zelfsturende samenleving.’

Op de website van uw stichting kunnen we lezen dat u een intens verlangen heeft naar wereldvrede, voortgekomen uit een soort openbaring die u op 14 september 2003 had in uw tuin toen u naar de hemel keek. U werd overvallen door een sterk gevoel; alsof u even naar een andere wereld ging. Hoe zag die andere wereld eruit?

”Die wereld kent geen beperkingen, doordat het tijd en ruimte overstijgt. Het is, zoals ik dat vaak zeg, ‘de hemel op aarde’. Dat houdt in dat alle wereldbewoners de mogelijkheid hebben om het leven te creëren zoals zij dat zelf voor ogen hebben. Waarin ze niets te kort komen en met elkaar ervoor zorgen dat alle levende wezens naar een steeds hogere levensstandaard evolueren.”

Uw missie is wereldvrede. Daarvoor heeft u vast en zeker een stappenplan uitgedacht. Kunt u een tipje van de sluier lichten?

“De basis van mijn werk vindt zijn oorsprong in de creatiespiraal die is ontwikkeld door Marinus Knoope. Die ik overigens al toepaste voordat ik met de spiraal in aanraking kwam. Marinus Knoope beschrijft de weg van wens naar werkelijkheid en zegt dat een mens is voorbestemd om zijn of haar verlangen te verwezenlijken. Dus als ik maar blijf verlangen en geloven, dan zal er op een dag wereldvrede zijn. Want de kracht van gedachten zijn enorm sterk en vele malen sterker dan menigeen vermoed. Daartussenin lever ik mijn bijdrage door te zijn wie ik ben, mijn hart te volgen en dienstbaar te zijn aan de ontwikkeling van anderen en daardoor van mezelf.”

Op de site van uw stichting schrijft u dat u een uitgesproken voorgevoel hebt over wat er tot en met 21 december 2012 in de wereld staat te gebeuren. Kunt u in grote lijnen schetsen waar we ons op moeten voorbereiden?

“Mensen zullen zich moeten voorbereiden op een periode waarin ze alle overtuigingen die ze hebben meegekregen vanaf hun geboorte, gaan afleggen. Dat wil zeggen dat ze door al hun angsten heengaan en worden geconfronteerd met een nieuwe werkelijkheid die ze tot dusver niet bewust hebben ervaren. Die periode zal gepaard gaan met verlies van alles wat hen dierbaar is. Alle zekerheden zullen wegvallen, de enige zekerheid die overeind zal blijven is de onzekerheid. Wat er voor terug gaat komen is het ervaren van absolute vrijheid en daarmee gepaard gaande onbeperkte mogelijkheden om het leven te creëren zoals iemand dat zelf voor ogen heeft.”

Politieke partijen, zo schrijft u op uw weblog, hebben een functie op weg naar absolute democratie, maar mogen nooit een doel op zich worden. Welke tekenen zijn er aan de wand dat 'het moment' voor het opheffen van partijen nabij is?

“Het afnemende aantal leden van politieke partijen, de steeds groter wordende kloof tussen burgers enerzijds en regering en volksvertegenwoordigers anderzijds, het groeiende aantal particuliere initiatieven, ofwel het ondernemerschap, en de behoefte van bedrijven om maatschappelijk verantwoord te ondernemen.”

U dicht u zelf de kracht toe dat u mensen kan inspireren om het klassieke denken in 'goed of fout' te overstijgen. Inspireer mij eens.

“Deed Ayaan Hirsi Ali er goed of fout aan om een andere naam op te geven bij haar asielaanvraag? Dat doet er niet doe. Wat er wel toe doet is dat zij op dat moment deed wat zij dacht dat juist was, gegeven de omstandigheden. Dat is het enige wat telt. Niemand, behalve de betrokkene zelf is verantwoordelijk voor de bewuste en onbewuste keuzes die hij of zij maakt en zal dan ook de consequenties daarvan moeten aanvaarden. Op het moment dat mensen van buitenaf gaan oordelen of een keuze goed of fout was, zijn ze de weg kwijt en begeven zij zich op een terrein waar ze niet over gaan. Want niemand en geen enkele situatie is hetzelfde.”

Nova vroeg waarom u de gedroomde kandidaat van D66 bent. U antwoordde: "Omdat ik durf te dromen.” Waar droomt u over?


“Over van alles, de hele dag door. Dat begint zodra ik in aanraking kom met schrijnende situaties, dan verbeeld ik mij alvast een nieuwe situatie waarin de betrokkenen geen problemen meer ervaren. Zoals bijvoorbeeld een Netwerk-reportage over Kenia, dat ging over de enorme droogte daar die miljoenen mensen de dood in jaagt. Verschrikkelijk om aan te zien. Op dat moment kan ik niet meer doen dan die mensen beloven dat er water aankomt voor ze. Ik begin dan met me voor te stellen dat er heel veel goed uitgeruste vrachtwagens het gebied inrijden om water te verspreiden. Dat lijkt misschien suf en onrealistisch om te doen, echter ik geloof dat elke creatie begint bij de verbeelding van dat wat je wenst. En als je daarin maar blijft geloven, dat je ook de middelen aan zult trekken om die mensen van hun problemen te verlossen.”

U bent, zonder dat ik het een negatieve lading wil geven, wel een zweverig type. Is dat misschien juist ook uw kracht? Dat u bijvoorbeeld een stemmenkanon kunt zijn voor zwevende kiezers?

“Dat weet ik wel zeker, mooi gezegd.”

Politie wil meer menselijke maat en minder 'regel is regel'

Politiek-Digitaal, 6 juni 2006
Politie wil meer menselijke maat en minder 'regel is regel'


Wil de politie als bindmiddel op kunnen treden, dan zal Den Haag meer beleidsruimte moeten scheppen. De focus op targets, de cijferdrift en de 'regel is regel'-cultuur monden uit in schijnveiligheid.

Door Steven de Jong

De wijkagent zou een meer signalerende en adviserende rol moeten krijgen, en zelf afwegingen moeten kunnen maken in hoe de veiligheid terplekke beïnvloed kan worden. "Het zijn de waarden die bepalen hoe je met de norm omgaat."

Deze kritiek uitte de top van de politie tijdens een beraadslaging in mei 2006. Voor het eerst liet de Raad van Hoofdcommissarissen camera’s toe. Politiek-Digitaal doet van de uitzending verslag en zoomt in op de discussie over de Haagse regelzucht.

Opvallend is dat de Raad van Hoofdcommissarissen nauwelijks onderling van mening verschilde. De 26 korpschefs verwijten Den Haag dat hen de ruimte wordt ontnomen om als maatschappelijk betrokken politie het werk naar eigen inzicht uit te voeren, met oog voor de omstandigheden waaronder mensen de fout in gaan. Dit staat haaks op het streven van de regering naar een ‘nationale politie’, aangestuurd door het ministerie van Binnenlandse Zaken.

‘Verkleuteren van professionals’

Volgens Pieter-Jaap Aalbersberg, korpschef van de Politie IJselland, wordt het bestaansrecht van de politie dan ontnomen. "Het gaat om veiligheid, maar dat kunnen we alleen doen als wij in die haarvaten aanwezig zijn." Jan Stikvoort, korpschef van de Politie Hollands Midden, voorziet dat een normatieve sturing leidt tot een repressief politiebestel, ofwel; tot een gezag dat pas in actie komt als het kwaad al geschied is. Stikvoort wil als politie "pro-actief" kunnen optreden en "consoliderend" bezig zijn.

Ruud Bik kenschets het huidige beleid als het "verkleuteren van professionals" met rampzalige gevolgen. "Zo haal je alle effectiviteit van het apparaat weg en dan ga je naar een situatie van de banlieues in Frankrijk toe", doelend op de gewelddadige confrontaties tussen Noord-Afrikanen en de politie in de Franse achterstandswijken eind 2005.

Stikvoort gelooft niet dat de samenleving beter beheerst kan worden door het stellen van allerlei normen. De nadruk komt dan te liggen op handhaving, zo analyseert hij, en dan leven we naar de regel van de wet. "Uiteraard zijn regels er om te worden nageleefd", geeft hij toe, "maar ze moeten vooral bedoeld zijn om mensen te helpen en te dienen". Stikvoort pleit voor een cultuur waarin regels vanuit "waarde-opvattingen" worden toegepast. "Omstandigheden tellen altijd. Het zijn de waarden die bepalen hoe je met de norm omgaat. Het zijn niet de normen die leidend moeten zijn voor wat je wel en niet doet."

Ook Bernard Welten, korpschef van de Politie Amsterdam-Amstelland, ziet de kille regelzucht liever vandaag dan morgen plaatsmaken voor de menselijke maat. "We moeten oppassen dat het systeem niet te pervers wordt." Cijfers worden in zijn ogen teveel een doel op zich, of erger nog: "Het middel wordt soms erger dan het doel."

‘Schrijven voor het getal’

Tegen de prestatiecontracten die de overheid afsluit met de politie, zeggen de hoofdcommissarissen geen principiële bezwaren te hebben. Maar dan moet die verantwoordingsplicht geen verkeerde impulsen geven. Een 'bonnenplicht' is dat volgens hen wel. Dan ligt de nadruk op het aantal bekeuringen en niet op het handhaven van de veiligheid.

Oscar Dros, baas van de politie in Groningen, vindt dat de overheid aan agenten moet durven overlaten dat zij op straat zelf de afweging maken of er opgetreden moet worden of niet. Zij zien terplekke hoe de veiligheid beïnvloed wordt, benadrukt hij. Die afwegingen kunnen volgens hem "niet vanuit het regiokantoor, en niet vanuit Den Haag" gemaakt worden. Dros waarschuwt dat prestatiecontracten op lange termijn een risico vormen voor de legitimiteit van de politie.

Met veel moeite probeert hij zijn organisatie aan te sturen tegen de filosofie van de prestatiecontracten in. "Er is geen diender in mijn korps die moet schrijven enkel en alleen voor het getal. Nee, er moet geschreven worden als een individuele politieman een afweging maakt dat op dat moment handhaving, het uitschrijven van een bekeuring, daadwerkelijk helpt bij het beïnvloeden van veiligheid." Het prestatiecontract is volgens Dros de belichaming van een technocratisch systeem, "waarbij veiligheid niet meer de afweging is, maar het getal".

Magda Berndsen, korpschef Politie Gooi- en Vechtstreek, beaamt dat. "We zien een omgekeerde beweging ontstaan, naar een soort maakbaarheid van de politie. Dat gaat absoluut niet werken. Geef ons alsjeblieft de ruimte om maatwerk te kunnen blijven leveren. We willen niet door de waan van de dag van politiek Den Haag geregeerd worden. Want daar worden onze burgers niet beter van."

Anja Brink, korpschef Politie Noord-Holland Noord, probeert net als haar Groningse collega Oscar Dros tegen de filosofie van de prestatiecontracten in te werken. Ze komt met een concreet voorbeeld. "Wij hebben iets bedacht op uitgaansgeweld in het weekend. Ik stuur agenten te voet, al heel vroeg, 's avonds het uitgaansgebied in. Met portiers hebben zij dan direct contact, en maken afspraken. Wij zijn er daarom vaak al bij voordat problemen leiden tot knokpartijtjes." De keerzijde van deze werkwijze is volgens Brink dat er minder verdachten aangehouden kunnen worden. Mensen kunnen immers niet gearresteerd worden als zij nog geen klap uitgedeeld hebben. "Dit leidt ertoe dat we moeilijker onze afspraken kunnen nakomen. We moeten namelijk een aantal verdachten aanleveren aan het Openbaar Ministerie", aldus Brink.

‘Voor een deel schijnveiligheid’

"De overheid heeft valse verwachtingen gewekt", zegt Bernard Welten. "Onder druk van de media, heeft de overheid besloten meer te regelen. Vanuit de gedachte 'als we iets cijfermatig kunnen aantonen, dan kunnen we laten zien dat we er alles aan doen' heeft ze een machinatie in gang gebracht. Maar die cijfers zijn een deel van de werkelijkheid. Ik denk dat het voor een deel schijnveiligheid is."

Brink: "In onze visie op langere termijn hebben we gezegd: de politie zorgt voor noodhulp en voor opsporing, maar zal ook signaleren en adviseren. Wat gebeurt er, en wat kun je eraan doen. Deze rol neemt de overheid niet altijd in voldoende mate serieus. Doen ze dat wel, dan denk ik dat het de overheid zal helpen om weer dichter bij de mensen in het land te komen."

Voortbordurend op de visie van Brink zegt Stikvoort dat de moderne wijkagent er niet alleen is om te interveniëren in allerlei probleemgevallen, maar die vooral een informatiebrenger is voor de politieorganisatie. "Die weet wat er gebeurt achter de voordeuren en vóór de voordeuren. Die weet waar de basis wordt gelegd, wellicht voor terrorisme. Die weet waar criminele activiteiten plaatsvinden. Die weet hoe de toestand is in de wijk en in de omgeving. Die kennis moeten wij zeer professioneel bijeenbrengen, en verwerken, en gebruiken voor onze adviezen. Aan de politici, maar ook gebruiken voor de inrichting van ons werk."

‘Lokale verankering’

Een nationale politie staat daarom haaks op alles waar de hoofdcommissarissen voor staan. "Als die er komt, dan zal de politie in de lokale verankering minder zichtbaar zijn", zegt Aad Meijboom van de Politie Rotterdam-Rijnmond.

Eerder zei Meijboom tegen Politiek-Digitaal dat ook in de terreurbestrijding het accent moet liggen op een alert politiebestel, en niet op geheim agenten van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD). "Bij agenten op straat zit heel veel informatie", verklaarde hij in december 2005, om er vervolgens aan toe te voegen dat minister Donner van Justitie zich minder bezig moet houden met het beteugelen van de media en meer met de problemen op straat.

Brink benadrukt dat de overheid "goud in handen heeft met een organisatie als de politie", maar dat ze dat wel moet zien. Stikvoort mist vooral het respect van Den Haag. "Ik zou veel liever zien dat men gebruik maakt van onze deskundigheid, dat Den Haag het vak dat wij uitoefenen ook respecteert.”

Korpschefs: uitsluiting allochtonen leidt tot criminaliteit

Politiek-Digitaal.nl, 31 mei 2006
Korpschefs: uitsluiting allochtonen leidt tot criminaliteit


"Als je niet op een normale manier carrière kan maken, dan ga je een criminele carrière maken. Dat is de vergelijking die ik weleens zie. Wanneer je dat vertaalt naar multiculturaliteit, dan maak ik me echt grote zorgen." Dat zegt Frans Heeres, korpschef Politie Midden-West Brabant. Hij houdt werkgevers hiervoor medeverantwoordelijk, omdat zij eerder voor een autochtone dan voor een allochtone werknemer zouden kiezen.

Door Steven de Jong
De politiechef deed zijn uitspraken tijdens een interne beraadslaging van de Raad van Hoofdcommissarissen. Voor het eerst liet de raad camera's toe, het actualiteitenprogramma Netwerk deed verslag.

Uitsluiting

Ook Heeres' collega's maken zich in toenemende mate zorgen om de tweedeling in de samenleving. Anja Brink, korpschef Politie Noord-Holland Noord, zegt in reactie op Heeres: "Dat betekent dat mensen zich uitgesloten voelen. Ook hoogopgeleide jonge allochtonen bijvoorbeeld, die niet aan het werk komen, terwijl ze gewoon geschikt zijn voor de arbeidsmarkt."

Subcultuur

Brink wijst erop dat veel allochtonen zich steeds meer in hun eigen subcultuur terugtrekken. "In hun eigen kringetje komen ze helemaal los te staan van wat wij in Nederland verder proberen te doen." Zelfs voor de politie is het moeilijk om tot deze allochtone groepen door te dringen, erkent ze. "Ze gaan met de rug naar de samenleving staan. Die denken van, ja, ze willen ons niet, waarom zouden wij moeite doen om daar dan toe te behoren?"

Schooluitval

Bernard Welten, korpschef van Amsterdam-Amstelland, ziet juist in de schooluitval "de grote bedreiging van dit moment", maar Heeres wijst erop dat het toch en vooral draait om de houding van werkgevers. "Als je een sollicitatiebrief stuurt naar een groot winkelbedrijf en je vraagt daar caissière te mogen worden, en je hebt een Nederlandse achternaam en je CV is niet zo goed, of je hebt een allochtone achternaam en je hebt toevallig je MBO-diploma prima gehaald en altijd goed gefunctioneerd, raad dan eens wie er uitgenodigd wordt voor een sollicitatiegesprek? Zover zijn we op dit moment in onze maatschappij."

Franse toestanden?

De Franse rellen van november 2005, die begonnen in de buitenwijken (banlieues) van Parijs, staan de hoofdcommissarissen nog op het netvlies gegrift. De beelden van de gewelddadige confrontaties tussen jonge Noord-Afrikanen en de Franse politie gingen de hele wereld over. Meer dan negenduizend auto's gingen in vlammen op. Oorzaak van de escalaties zouden de slechte sociaal-economische omstandigheden van deze jongeren zijn. Netwerk vroeg de politiechefs of iets dergelijks ook Nederland te wachten staat.

Kwetsbaarheid

Heeres maakt zich daar niet direct zorgen over. "Als je het hebt over openbare orde en onrust denk ik dat het in Nederland wel redelijk gaat.” Wel maakt hij zich ongerust over de kwetsbaarheid van de minima in Nederland. Hun financiële positie zou ertoe kunnen leiden dat ze zich inlaten met criminele activiteiten. “Als iemand een bijstandsuitkering heeft, en maar 981 euro per maand krijgt, en met een aantal kinderen daar alles van moet doen, dan moet je sterk in je schoenen staan als op de deurbel gedrukt wordt en ze vragen: mag ik jouw zolder gebruiken voor een hennepkwekerij."

Andere Overheid? Andere Burger!

Lastvandeburger.nl, 19 mei 2006
Andere Overheid? Andere Burger!


De kloof tussen burger en overheid: wat kun je er eigenlijk nog over zeggen? Elk deuntje komt op het zelfde neer: de overheid moet vernieuwen, beter luisteren, naar de mensen toe, uit de achterkamertjes komen, de kaasstolp aan diggelen slaan, beter communiceren, beter bereikbaar zijn, op maat diensten aan bieden, en ga zo maar door.

Door Steven de Jong

Welke analyse je ook leest of hoort, de overheid is altijd de gebeten hond. Dat maakt ambtenaren en politici tot de meest geplaagde bevolkingsgroep van dit moment. Ze zijn verworden tot de vuilnismannen van de publieke sector. Enerzijds kun je niet zonder hen, anderzijds worden ze met de nek aangekeken. Dat doet pijn, heel erg pijn.

Zozeer dat enkele prominenten ineenstorten van ellende. Een fractievoorzitter die haar eigen regeringspartij een 4 geeft, een minister die zichzelf en collega’s voor vuil en vunzig uitmaakt. Zelfbeklag dat zich mede manifesteert in het programma Andere Overheid, een project waar diezelfde minister een dagtaak aan heeft. De meest tragische uitwas van dit programma is de overheidssite Lastvandeoverheid.nl. Een overheid die zichzelf aan de schandpaal nagelt, kan het nog droeviger?

Daarom wordt het tijd dat de burger zichzelf eens gaat afvragen: hebben we nou ons zin? Een beetje plagen en pesten is leuk, maar je moet ook je grenzen kennen. De overheid weet het nu wel; geen ambtenaar durft zijn beroep meer te vertellen op een feestje, loketbeambten worden uitgescholden, politieagenten wordt geen gezag meer toegekend en politici kruipen in de slachtofferrol van vernieuwingsvernieuwingsprogramma’s of gaan in therapie bij campagnestrategen.

Slechts een enkeling durft nog dapper weerstand te bieden tegen dit verderfelijke getreiter, en ik citeer hierin niemand minder dan Jan Peter Balkenende. “U zou zich moeten schamen voor het feit dat we ons in Nederland vaak druk maken om niks. Weet u, ik heb het een beetje gehad met al dat doorgeslagen negativisme. Daar heb ik het gewoon mee gehad”, bromt De Baas die er tersluiks op wijst dat wij vroeger nog wereldzeeën bevoeren.

Nu we te maken hebben met een overheid die niet anders meer kan dan klaagzangen over zichzelf zingen is het moment aangebroken om ambtenaren en politici weer een stok in handen te geven. Wel zo eerlijk. Deze stok noemen we het programma Andere Burger en de speerpunt daarop heet Lastvandeburger.nl: de site waar de overheid haar beklag kan doen over bandeloos, onverantwoordelijk en gezagsondermijnend gedrag.

Het programma Andere Burger ziet er alsvolgt uit:

Fase 1: Overheid dient lasten in
Fase 2: Burgers reageren op lasten
Fase 3: Onderzoek en rapportage
Fase 4: Profielschets Andere Burger
Fase 5: Overheidsmanifest aan burgers

Van burgers wordt verwacht dat zij oplossingen verzinnen voor het leed en de kopzorgen die zij overheid en politiek bezorgen. Dat ze eens luisteren naar wat de gezagsdragers en uitvoerders van het gezag te vertellen hebben, waaraan ze zich storen en wat de burger moet doen om in positieve zin te veranderen.

Ergernissen die voorheen verdampten in formele communicatieprotocollen en politieke campagnepraatjes, kunnen nu eindelijk op het bordje van de burger geworpen worden. Eet smakelijk!

ICT-onderwijstools blijven teveel op de plank liggen

Politiek-digitaal.nl, 15 mei 2006
ICT-onderwijstools blijven teveel op de plank liggen


Anno 2006 is ICT diep doorgedrongen in de primaire processen van het Hoger Onderwijs. Voor het ‘nieuwe leren’, waarbij de docent nauwelijks college meer geeft en vaker optreedt als begeleider, worden in rap tempo nieuwe tools ontworpen.

Door Steven de Jong

Toch koestert een grote meerderheid nog weerstand. Nieuwe tools blijven op de plank liggen.

Het Nederlandse Hoger Onderwijs behoort tot de kopgroep in de wereld als het om ICT gaat, zegt SURF, de samenwerkingsorganisatie waarin onderwijsinstellingen hun krachten bundelen om gezamenlijk ICT-voorzieningen te realiseren.

Geen ‘Plug & Play’

SURF was er al vroeg al bij. Ze ontstond begin jaren tachtig naar aanleiding van een advies van de commissie-Rathenau. Deze commissie adviseerde de regering de automatiseringsgolf niet als bedreiging voor de werkgelegenheid te zien, maar de kansen ervan te benutten. De overheid moest zelf aan de automatisering. ‘Er moest beleid op komen’, zoals dat heet. Dat was geen kwestie van 'Plug & Play', maar van voortdurende hervormingen.

Eerst beleid, dan techniek

De visie van Rathenau is altijd een leidraad geweest voor de implementatie van ICT in het onderwijs, legt Gerrit van de Graaf - toenmalig directeur van SURF - in een welkomstvideo uit. “Bij dit soort grote organisatorische samenwerkingen moet het eerst beleidsmatig en organisatorisch kloppen. Dan pas lukt het je om de techniek in te voeren. De kracht van SURF is dat het die eerste twee dingen ook altijd eerst gedaan heeft, en daarna komen pas de techniekvragen.” Die mening is ook Bart van de Laar, de huidige manager onderwijsvernieuwing, toegedaan. Het idee dat SURF alleen maar inzet op stimulering van ICT-gebruik is volgens hem niet waar. Met de regelmaat van de klok zegt hij: dit is een onderwijsprobleem, ICT is niet het wondermiddel.

Weerstand

Ook is een hyperactieve houding niet goed, legt Van de Laar uit. “In onze voorwaarden voor subsidieverlening ligt besloten dat instellingen eerst maar eens goed moeten toepassen wat er al op de plank ligt.” Vaak willen de innovators en early adopters in een organisatie wel aan de nieuwe tools, maar voelt de grote meerderheid zich nog niet vertrouwd met de reeds beschikbare ICT-faciliteiten. “Daarin volgt ICT dezelfde weg als iedere andere innovatie. Leeftijd is daarbij niet per se de sleutelfactor. Tijdgebrek en de weerstand tegen – ongeacht welke – verandering, spelen een rol.”

Vakinhoudelijk ICT-gebruik blijft achter

Anno 2006 is ICT diep doorgedrongen in de primaire processen van het Hoger Onderwijs. SURF heeft daarin bijgedragen door een hoogwaardig computernetwerk te leveren. Volgens de ICT-Onderwijsmonitor, een projectgroep die de stand van zaken rond invoering van informatietechnologie in het onderwijs in kaart brengt, wordt ICT vooral voor de organisatorische en administratieve bedrijfsvoering ingezet. Denk hierbij aan de organisatie van cursussen, het registeren en monitoren van studenten, het inschrijven voor tentamens en het verschaffen van informatie over docenten en studenten.

De ICT-onderwijsmonitor stelt vast dat er minder animo is voor vakinhoudelijke ICT-toepassingen. Vakspecifieke applicaties zijn niet volledige geïntegreerd in de meeste opleidingen. Onder inhoudelijke functies verstaat de projectgroep ook; communicatie over het leerproces, het gezamenlijk werken aan opdrachten, het aanbieden van lesmateriaal voor zelfstudie, het samenwerkend leren en het van gedachten wisselen op een discussieplatform.

Blended learning

Dit raakt natuurlijk ook het hart van het onderwijs. De verschuiving van docent voor de collegezaal naar de docent als begeleider is namelijk niet onomstreden, vooral als dat laatste via ICT plaatsvindt. Van de Laar laat weten dat SURF daar ook niet bovenop wil zitten: “Wij willen bijdragen aan werkelijk nieuwe onderwijsvormen, maar het is aan de HBO- en WO-instellingen zelf daarin positie te kiezen. In de afgelopen jaren bleek vooral blended learning – mengvormen van ‘traditioneel’ en ICT-ondersteunende werkvormen – goed te werken.”

Volgens Hans Outhuis, directeur van de Dienst Onderwijs & Student van Saxion Hogescholen en verantwoordelijk voor de portefeuille 'ICT-regie', kan er niet getipt worden aan face-to-face onderwijs. Wel is hij, net als SURF, voorstander van blended learning. "Het 'nieuwe leren' is niet goed mogelijk zonder de inzet van digitale instrumenten. Met blended learning kunnen alle doelgroepen van Saxion beter bediend worden. Ook voor buitenlandse studenten biedt het mogelijkheden om efficiënter en effectiever onderwijs aan te bieden."

Digitale belevingswereld studenten

Zaak is ook om op het persoonlijke gebruik van studenten in te haken. Studenten zitten momenteel op Hyves en MSN. Ze hebben een eigen weblog, of reageren er regelmatig op. Hogeschool InHolland verwijst in radiospotjes aspirant-studenten naar weblogs van studenten. Van de Laar ziet dat onderwijsinstellingen zich hier momenteel met enthousiasme op storten. “Ze werken zich uit de naad om aan te sluiten bij de belevingswereld van studenten. Werkelijk hartstikke leuke projecten buitelen over elkaar heen, van grote games tot streaming video en e-portfolio’s, van leren met handhelds in het veld tot het bij elkaar brengen van complexe computerpractica en werkcolleges.”  Maar, werpt Van de Laar tegen, “er zijn veel leuke tools, maar veel wordt nog onvoldoende gebruikt.”

Liever middenmoot

Outhuis merkt op dat dit te maken heeft met een mix van factoren. “Het succes van het gebruik van ICT-voorzieningen is afhankelijk van het ervaren nut van de voorziening. Ik noem dat de G3: gemak, genot en gewin. Is het een oplossing voor het door de gebruiker ervaren probleem? Daar schort het nog wel eens aan.” De ICT-coördinator geeft aan dat Saxion als hogeschool qua ICT-gebruik liever tot de middenmoot behoort, dan tot de kopgroep. Simpelweg omdat in de pilotfase de meeste ongelukken gebeuren.

Integratie van ICT in het onderwijs: een terugblik

Politiek-digitaal.nl, 15 mei 2006
Integratie van ICT in het onderwijs: een terugblik


Eind jaren zeventig had Nederland een achterstand op alle belangrijke industrielanden. Ondanks de economische crisis die tot ver in de jaren tachtig voortduurde, besloot de overheid te investeren in ICT.

Door Steven de Jong

De eerste integrale aanpak kreeg de naam ‘het Informatica-Stimuleringsplan’. De nota sloeg in als een bom en bracht een cultuuromslag teweeg.

In 1978 besloot de regering dat ze een positie moest innemen. De overheid had namelijk de neiging automatisering alleen als bedreiging voor de werkgelegenheid te zien. Vanuit die gedachte stelde ze de commissie-Rathenau in en legde de onderzoekers een basale en bezorgde onderzoeksvraag voor: “Leidt de opkomst van micro-elektronica slechts tot hogere werkloosheid of ontstaan er nieuwe economische kansen?”

Van defensief naar offensief

De commissie gaf op die algemene vraag een evenzo algemeen antwoord: de overheid moest de maatschappelijke betekenis van technologie voortaan systematisch benaderen. De defensieve houding moest omslaan in een offensieve: het benutten van kansen.

Logisch zou je denken, maar volgens burgemeester Deetman van Den Haag – destijds minister van Onderwijs en Wetenschappen – sloeg die aanbeveling in als een bom. Begin jaren tachtig verkeerde Nederland immers in een economische crisis. Het laatste waar de politiek trek in had was computers aanschaffen, vertelt hij in een videoproductie van de stichting SURF, de samenwerkingsorganisatie waarin onderwijsinstellingen hun krachten bundelen om gezamenlijk ICT-voorzieningen te realiseren.

Deetman: “Het rapport van de commissie-Rathenau was dermate alarmerend dat er wat mee moest gebeuren. Toen ik minister werd in 1982 kreeg ik dat op mijn bordje. Dit heeft geleid tot het ‘Informatica-Stimuleringsplan’ (17 januari 1984, SdJ). Dat plan heeft geleidt tot een advies, dat leidde tot SURF.” Volgens Deetman kwam de regering toen tot het besef dat als Nederland zich niet geweldig zou inspannen, het in Europa achterop zou raken.

In het blad Informatie en Informatiebeleid uit 1984 geeft professor De Bruijn, toenmalig hoogleraar in de Onderafdeling Wiskunde en Informatica aan de Technische Hogeschool te Eindhoven, een reactie op het Informatica-Stimuleringsplan. Hij pleit in het blad voor een 'meersporige inhaalactie' om de achterstand in te lopen. Voor zover het gaat over opleidingen, maakt hij een globaal onderscheid in drie fronten:
  1. Opleiding van echte computerspecialisten.
  2. Beroepsvoorbereidend onderwijs over computers, te geven aan degenen die bij de uitoefening van hun vak computers zullen gaan gebruiken zonder zelf computerspecialisten te worden.
  3. Algemeen niet-beroepsgericht onderwijs over computers, en onderwijs met behulp van computers.
Specialisten en consumenten

De Bruijn was van mening dat de commissie-Rathenau deze sporen onvoldoende had uitgewerkt. In zijn publicatie houdt hij dan ook een pleidooi om VWO'ers te leren programmeren. Een advies dat, afgezien van wat keuzevakken, nooit serieus is geïmplementeerd. “De grote meerderheid van degenen die in het wetenschappelijk onderwijs terechtkomen, zullen het programmeursniveau moeten bereiken”, stelde De Bruijn. “Ruwweg kan men zeggen dat in iedere studierichting waarvoor een eindexamen met Wiskunde A of B wordt gevraagd, ook moet kunnen worden geprogrammeerd.”

Tegelijkertijd moest de overheid van De Bruijn investeren in het opleiden van “consumenten in de informatiemaatschappij”. In het Informatica-Stimuleringsplan is volgens hem nauwelijks onderscheid gemaakt tussen programmeurs en operateurs, ofwel gebruikers. Tussen computerspecialisten die bouwen aan programma's en consumenten die ermee leren werken.

Bedienen van pakketten

"Als men tegenwoordig over computergebruik spreekt dan bedoelt men niet meer hetzelfde als bijvoorbeeld 10 jaar geleden", legt De Bruijn uit. "Natuurlijk, de 'echte' informatici zullen hetzelfde blijven bedoelen, maar voor de meesten is het wat anders geworden. Het is niet meer het zelfstandig programmeren, maar het bedienen van pakketten." Gelukkig maar, merkt de professor op. "Want nu is het mogelijk om een zeer grote klasse van mensen achter de toetsenborden en beeldschermen te zetten. Zo is een groot deel van het computergebruik gericht op de administratie, als we daaronder tekstverwerking laten vallen. Men zou kunnen zeggen dat de gebruikers daar operateurs zijn en geen programmeurs."

Weinig animo voor vakinhoudelijke ICT

Nu, bijna een kwart eeuw later, moeten we constateren dat ICT eigenlijk nog steeds vooral voor de organisatorische en administratieve bedrijfsvoering wordt ingezet in het onderwijs. Slechts in een beperkt aantal opleidingen krijgen studenten programmeervakken, in het middelbaar onderwijs wordt er evenmin echt aandacht aan besteed.

De ICT-onderwijsmonitor, een projectgroep die de stand van zaken rond invoering van informatietechnologie in het onderwijs in kaart brengt, stelt ook vast dat er weinig animo is voor vakinhoudelijke ICT-toepassingen. Onder inhoudelijke applicaties worden tevens de digitale leeromgevingen verstaan, waar studenten gezamenlijk kunnen werken aan opdrachten en gedachten uit kunnen wisselen.

Volgens SURF, de organisatie die voortkwam uit het Informatie-Stimuleringsplan, behoren Nederlandse universiteiten en hogescholen nu wel tot de kopgroep in de wereld als het om ICT gaat. De organisatie houdt het Informatica-Stimuleringsplan daarvoor verantwoordelijk.