Politiek-Digitaal.nl, 7 juni 2006
Doekle Terpstra: 'Mensen worden dominant ten opzichte van kapitaal'
Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) moet niet geforceerd
worden door regelgeving. Ook is het niet verstandig om op bedrijven een
MVO-etiket te plakken. We moeten het zien als een emancipatieproces, dat
van onderaf afgedwongen en vormgegeven moet worden. "Het moet in de
genen zitten."
Door Steven de Jong
Dat zei Doekle Terpstra, de voorzitter van de HBO-raad, 1 juni op een
congres op Saxion Hogescholen in Deventer. Volgens de
oud-vakbondsleider is MVO geen modegril, maar een fundamentele trend.
"Steeds meer mensen willen in toenemende mate zelf de regie nemen over
datgene wat ze tegenkomen in hun leven. De slag om menselijk kapitaal
zal op een andere manier plaatsvinden. De klassieke verbinding tussen
arbeid en kapitaal gaat kantelen. Mensen worden in toenemende mate
dominant ten op zichte van het kapitaal", voorziet Terpstra.
Onderwijs moet anticiperen
Deze trend heeft in zijn ogen een zelfde karakter als de
vrouwenemancipatie. En daarom, zo stelt hij, worden organisaties door
mensen gedwongen het MVO-concept te verinnerlijken. "Niet geforceerd
door regelgeving, maar vanuit de intrinsieke beleving van mensen."
Terpstra merkt op dat steeds meer mensen zich niet meer alleen willen
verbinden met hun eigen professie. “Het hoger onderwijs moet daarop
anticiperen”, bepleit hij. “Door opleidingen in een breder
maatschappelijk perspectief te trekken.”
Overheid moet stap terug doen
De overheid zelf moet een stap terug doen, oppert Terpstra. "Zij
bestaan bij de gratie der regelgeving. Neem nou Rutte: die schreeuwt
van de daken dat hij wil dereguleren. Maar diezelfde Rutte heeft ons
opgezadeld met meer dan tien maatregelen die de lastendruk in het hoger
onderwijs verzwaren."
Politiek-Digitaal.nl, 7 juni 2006
D66-lijsttrekkerskandidate Simone Kuiter zet in op wereldvrede
Haar tegenstrever Pechtold bedient zich van de slogan 'Perspectief en
Leiderschap', maar zulke retoriek heeft Simone Kuiter helemaal niet
nodig. Deze kandidate voor het lijsttrekkerschap van D66 weet - dankzij
een openbaring - wat de wereld tot 21 december 2012 te wachten staat.
Door Steven de Jong
Eerst "verlies van alles wat ons dierbaar is" en daarna "absolute
vrijheid". Kuiters verlangen naar wereldvrede is de ruggengraat van
haar politieke koers.
Simone Kuiter (31) timmert al langer aan de
weg naar wereldvrede. In 2004 richtte ze de stichting For Love And Grow
(FLAG) op. Vanuit deze stichting staat ze mensen met raad en daad bij
die willen bouwen aan een duurzame en leefbare samenleving. Tot voor
kort was ze lid van het Nationaal Comité 4 en 5 mei en bekleedde een
bestuursfunctie in de Amsterdamse afdeling van D66.
Kuiter
ambieert nu het lijsttrekkerschap omdat ze verlangt naar een
“samenleving waarin de macht weer wordt teruggegeven aan haar inwoners.
Waarin mensen zelf verantwoordelijk zijn voor het te voeren beleid, daar
de benodigde middelen voor krijgen en kunnen aanwijzen wie dat beleid
voor hen gaat uitvoeren.”
Een liberale gedachte die ze samenbrengt in de slogan: ‘Van verzorgingsstaat naar een zelfsturende samenleving.’
Op
de website van uw stichting kunnen we lezen dat u een intens verlangen
heeft naar wereldvrede, voortgekomen uit een soort openbaring die u op
14 september 2003 had in uw tuin toen u naar de hemel keek. U werd
overvallen door een sterk gevoel; alsof u even naar een andere wereld
ging. Hoe zag die andere wereld eruit?
”Die wereld kent
geen beperkingen, doordat het tijd en ruimte overstijgt. Het is, zoals
ik dat vaak zeg, ‘de hemel op aarde’. Dat houdt in dat alle
wereldbewoners de mogelijkheid hebben om het leven te creëren zoals zij
dat zelf voor ogen hebben. Waarin ze niets te kort komen en met elkaar
ervoor zorgen dat alle levende wezens naar een steeds hogere
levensstandaard evolueren.”
Uw missie is wereldvrede. Daarvoor heeft u vast en zeker een stappenplan uitgedacht. Kunt u een tipje van de sluier lichten?
“De
basis van mijn werk vindt zijn oorsprong in de creatiespiraal die is
ontwikkeld door Marinus Knoope. Die ik overigens al toepaste voordat ik
met de spiraal in aanraking kwam. Marinus Knoope beschrijft de weg van
wens naar werkelijkheid en zegt dat een mens is voorbestemd om zijn of
haar verlangen te verwezenlijken. Dus als ik maar blijf verlangen en
geloven, dan zal er op een dag wereldvrede zijn. Want de kracht van
gedachten zijn enorm sterk en vele malen sterker dan menigeen vermoed.
Daartussenin lever ik mijn bijdrage door te zijn wie ik ben, mijn hart
te volgen en dienstbaar te zijn aan de ontwikkeling van anderen en
daardoor van mezelf.”
Op de site van uw stichting schrijft u
dat u een uitgesproken voorgevoel hebt over wat er tot en met 21
december 2012 in de wereld staat te gebeuren. Kunt u in grote lijnen
schetsen waar we ons op moeten voorbereiden?
“Mensen
zullen zich moeten voorbereiden op een periode waarin ze alle
overtuigingen die ze hebben meegekregen vanaf hun geboorte, gaan
afleggen. Dat wil zeggen dat ze door al hun angsten heengaan en worden
geconfronteerd met een nieuwe werkelijkheid die ze tot dusver niet
bewust hebben ervaren. Die periode zal gepaard gaan met verlies van
alles wat hen dierbaar is. Alle zekerheden zullen wegvallen, de enige
zekerheid die overeind zal blijven is de onzekerheid. Wat er voor terug
gaat komen is het ervaren van absolute vrijheid en daarmee gepaard
gaande onbeperkte mogelijkheden om het leven te creëren zoals iemand dat
zelf voor ogen heeft.”
Politieke partijen, zo schrijft u
op uw weblog, hebben een functie op weg naar absolute democratie, maar
mogen nooit een doel op zich worden. Welke tekenen zijn er aan de wand
dat 'het moment' voor het opheffen van partijen nabij is?
“Het
afnemende aantal leden van politieke partijen, de steeds groter
wordende kloof tussen burgers enerzijds en regering en
volksvertegenwoordigers anderzijds, het groeiende aantal particuliere
initiatieven, ofwel het ondernemerschap, en de behoefte van bedrijven om
maatschappelijk verantwoord te ondernemen.”
U dicht u zelf
de kracht toe dat u mensen kan inspireren om het klassieke denken in
'goed of fout' te overstijgen. Inspireer mij eens.
“Deed
Ayaan Hirsi Ali er goed of fout aan om een andere naam op te geven bij
haar asielaanvraag? Dat doet er niet doe. Wat er wel toe doet is dat zij
op dat moment deed wat zij dacht dat juist was, gegeven de
omstandigheden. Dat is het enige wat telt. Niemand, behalve de
betrokkene zelf is verantwoordelijk voor de bewuste en onbewuste keuzes
die hij of zij maakt en zal dan ook de consequenties daarvan moeten
aanvaarden. Op het moment dat mensen van buitenaf gaan oordelen of een
keuze goed of fout was, zijn ze de weg kwijt en begeven zij zich op een
terrein waar ze niet over gaan. Want niemand en geen enkele situatie is
hetzelfde.”
Nova vroeg waarom u de gedroomde kandidaat van D66 bent. U antwoordde: "Omdat ik durf te dromen.” Waar droomt u over?
“Over
van alles, de hele dag door. Dat begint zodra ik in aanraking kom met
schrijnende situaties, dan verbeeld ik mij alvast een nieuwe situatie
waarin de betrokkenen geen problemen meer ervaren. Zoals bijvoorbeeld
een Netwerk-reportage over Kenia, dat ging over de enorme droogte daar
die miljoenen mensen de dood in jaagt. Verschrikkelijk om aan te zien.
Op dat moment kan ik niet meer doen dan die mensen beloven dat er water
aankomt voor ze. Ik begin dan met me voor te stellen dat er heel veel
goed uitgeruste vrachtwagens het gebied inrijden om water te
verspreiden. Dat lijkt misschien suf en onrealistisch om te doen, echter
ik geloof dat elke creatie begint bij de verbeelding van dat wat je
wenst. En als je daarin maar blijft geloven, dat je ook de middelen aan
zult trekken om die mensen van hun problemen te verlossen.”
U
bent, zonder dat ik het een negatieve lading wil geven, wel een
zweverig type. Is dat misschien juist ook uw kracht? Dat u bijvoorbeeld
een stemmenkanon kunt zijn voor zwevende kiezers?
“Dat weet ik wel zeker, mooi gezegd.”
Politiek-Digitaal, 6 juni 2006
Politie wil meer menselijke maat en minder 'regel is regel'
Wil de politie als bindmiddel op kunnen treden, dan zal Den Haag meer
beleidsruimte moeten scheppen. De focus op targets, de cijferdrift en
de 'regel is regel'-cultuur monden uit in schijnveiligheid.
Door Steven de Jong
De wijkagent zou een meer signalerende en adviserende rol moeten
krijgen, en zelf afwegingen moeten kunnen maken in hoe de veiligheid
terplekke beïnvloed kan worden. "Het zijn de waarden die bepalen hoe je
met de norm omgaat."
Deze kritiek uitte de top van de politie
tijdens een beraadslaging in mei 2006. Voor het eerst liet de Raad van
Hoofdcommissarissen camera’s toe. Politiek-Digitaal doet van de
uitzending verslag en zoomt in op de discussie over de Haagse
regelzucht.
Opvallend is dat de Raad van Hoofdcommissarissen
nauwelijks onderling van mening verschilde. De 26 korpschefs verwijten
Den Haag dat hen de ruimte wordt ontnomen om als maatschappelijk
betrokken politie het werk naar eigen inzicht uit te voeren, met oog
voor de omstandigheden waaronder mensen de fout in gaan. Dit staat haaks
op het streven van de regering naar een ‘nationale politie’,
aangestuurd door het ministerie van Binnenlandse Zaken.
‘Verkleuteren van professionals’
Volgens
Pieter-Jaap Aalbersberg, korpschef van de Politie IJselland, wordt het
bestaansrecht van de politie dan ontnomen. "Het gaat om veiligheid, maar
dat kunnen we alleen doen als wij in die haarvaten aanwezig zijn." Jan
Stikvoort, korpschef van de Politie Hollands Midden, voorziet dat een
normatieve sturing leidt tot een repressief politiebestel, ofwel; tot
een gezag dat pas in actie komt als het kwaad al geschied is. Stikvoort
wil als politie "pro-actief" kunnen optreden en "consoliderend" bezig
zijn.
Ruud Bik kenschets het huidige beleid als het "verkleuteren
van professionals" met rampzalige gevolgen. "Zo haal je alle
effectiviteit van het apparaat weg en dan ga je naar een situatie van de
banlieues in Frankrijk toe", doelend op de gewelddadige confrontaties
tussen Noord-Afrikanen en de politie in de Franse achterstandswijken
eind 2005.
Stikvoort gelooft niet dat de samenleving beter
beheerst kan worden door het stellen van allerlei normen. De nadruk komt
dan te liggen op handhaving, zo analyseert hij, en dan leven we naar de
regel van de wet. "Uiteraard zijn regels er om te worden nageleefd",
geeft hij toe, "maar ze moeten vooral bedoeld zijn om mensen te helpen
en te dienen". Stikvoort pleit voor een cultuur waarin regels vanuit
"waarde-opvattingen" worden toegepast. "Omstandigheden tellen altijd.
Het zijn de waarden die bepalen hoe je met de norm omgaat. Het zijn niet
de normen die leidend moeten zijn voor wat je wel en niet doet."
Ook
Bernard Welten, korpschef van de Politie Amsterdam-Amstelland, ziet de
kille regelzucht liever vandaag dan morgen plaatsmaken voor de
menselijke maat. "We moeten oppassen dat het systeem niet te pervers
wordt." Cijfers worden in zijn ogen teveel een doel op zich, of erger
nog: "Het middel wordt soms erger dan het doel."
‘Schrijven voor het getal’
Tegen
de prestatiecontracten die de overheid afsluit met de politie, zeggen
de hoofdcommissarissen geen principiële bezwaren te hebben. Maar dan
moet die verantwoordingsplicht geen verkeerde impulsen geven. Een
'bonnenplicht' is dat volgens hen wel. Dan ligt de nadruk op het aantal
bekeuringen en niet op het handhaven van de veiligheid.
Oscar
Dros, baas van de politie in Groningen, vindt dat de overheid aan
agenten moet durven overlaten dat zij op straat zelf de afweging maken
of er opgetreden moet worden of niet. Zij zien terplekke hoe de
veiligheid beïnvloed wordt, benadrukt hij. Die afwegingen kunnen volgens
hem "niet vanuit het regiokantoor, en niet vanuit Den Haag" gemaakt
worden. Dros waarschuwt dat prestatiecontracten op lange termijn een
risico vormen voor de legitimiteit van de politie.
Met veel
moeite probeert hij zijn organisatie aan te sturen tegen de filosofie
van de prestatiecontracten in. "Er is geen diender in mijn korps die
moet schrijven enkel en alleen voor het getal. Nee, er moet geschreven
worden als een individuele politieman een afweging maakt dat op dat
moment handhaving, het uitschrijven van een bekeuring, daadwerkelijk
helpt bij het beïnvloeden van veiligheid." Het prestatiecontract is
volgens Dros de belichaming van een technocratisch systeem, "waarbij
veiligheid niet meer de afweging is, maar het getal".
Magda
Berndsen, korpschef Politie Gooi- en Vechtstreek, beaamt dat. "We zien
een omgekeerde beweging ontstaan, naar een soort maakbaarheid van de
politie. Dat gaat absoluut niet werken. Geef ons alsjeblieft de ruimte
om maatwerk te kunnen blijven leveren. We willen niet door de waan van
de dag van politiek Den Haag geregeerd worden. Want daar worden onze
burgers niet beter van."
Anja Brink, korpschef Politie
Noord-Holland Noord, probeert net als haar Groningse collega Oscar Dros
tegen de filosofie van de prestatiecontracten in te werken. Ze komt met
een concreet voorbeeld. "Wij hebben iets bedacht op uitgaansgeweld in
het weekend. Ik stuur agenten te voet, al heel vroeg, 's avonds het
uitgaansgebied in. Met portiers hebben zij dan direct contact, en maken
afspraken. Wij zijn er daarom vaak al bij voordat problemen leiden tot
knokpartijtjes." De keerzijde van deze werkwijze is volgens Brink dat er
minder verdachten aangehouden kunnen worden. Mensen kunnen immers niet
gearresteerd worden als zij nog geen klap uitgedeeld hebben. "Dit leidt
ertoe dat we moeilijker onze afspraken kunnen nakomen. We moeten
namelijk een aantal verdachten aanleveren aan het Openbaar Ministerie",
aldus Brink.
‘Voor een deel schijnveiligheid’
"De
overheid heeft valse verwachtingen gewekt", zegt Bernard Welten. "Onder
druk van de media, heeft de overheid besloten meer te regelen. Vanuit de
gedachte 'als we iets cijfermatig kunnen aantonen, dan kunnen we laten
zien dat we er alles aan doen' heeft ze een machinatie in gang gebracht.
Maar die cijfers zijn een deel van de werkelijkheid. Ik denk dat het
voor een deel schijnveiligheid is."
Brink: "In onze visie op
langere termijn hebben we gezegd: de politie zorgt voor noodhulp en voor
opsporing, maar zal ook signaleren en adviseren. Wat gebeurt er, en wat
kun je eraan doen. Deze rol neemt de overheid niet altijd in voldoende
mate serieus. Doen ze dat wel, dan denk ik dat het de overheid zal
helpen om weer dichter bij de mensen in het land te komen."
Voortbordurend
op de visie van Brink zegt Stikvoort dat de moderne wijkagent er niet
alleen is om te interveniëren in allerlei probleemgevallen, maar die
vooral een informatiebrenger is voor de politieorganisatie. "Die weet
wat er gebeurt achter de voordeuren en vóór de voordeuren. Die weet waar
de basis wordt gelegd, wellicht voor terrorisme. Die weet waar
criminele activiteiten plaatsvinden. Die weet hoe de toestand is in de
wijk en in de omgeving. Die kennis moeten wij zeer professioneel
bijeenbrengen, en verwerken, en gebruiken voor onze adviezen. Aan de
politici, maar ook gebruiken voor de inrichting van ons werk."
‘Lokale verankering’
Een
nationale politie staat daarom haaks op alles waar de
hoofdcommissarissen voor staan. "Als die er komt, dan zal de politie in
de lokale verankering minder zichtbaar zijn", zegt Aad Meijboom van de
Politie Rotterdam-Rijnmond.
Eerder zei Meijboom tegen
Politiek-Digitaal dat ook in de terreurbestrijding het accent moet
liggen op een alert politiebestel, en niet op geheim agenten van de
Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD). "Bij agenten op
straat zit heel veel informatie", verklaarde hij in december 2005, om er
vervolgens aan toe te voegen dat minister Donner van Justitie zich
minder bezig moet houden met het beteugelen van de media en meer met de
problemen op straat.
Brink benadrukt dat de overheid "goud in
handen heeft met een organisatie als de politie", maar dat ze dat wel
moet zien. Stikvoort mist vooral het respect van Den Haag. "Ik zou veel
liever zien dat men gebruik maakt van onze deskundigheid, dat Den Haag
het vak dat wij uitoefenen ook respecteert.”
Politiek-Digitaal.nl, 31 mei 2006
Korpschefs: uitsluiting allochtonen leidt tot criminaliteit
"Als je niet op een normale manier carrière kan maken, dan ga je een
criminele carrière maken. Dat is de vergelijking die ik weleens zie.
Wanneer je dat vertaalt naar multiculturaliteit, dan maak ik me echt
grote zorgen." Dat zegt Frans Heeres, korpschef Politie Midden-West
Brabant. Hij houdt werkgevers hiervoor medeverantwoordelijk, omdat zij
eerder voor een autochtone dan voor een allochtone werknemer zouden
kiezen.
Door Steven de Jong
De politiechef deed zijn uitspraken tijdens een interne beraadslaging
van de Raad van Hoofdcommissarissen. Voor het eerst liet de raad
camera's toe, het actualiteitenprogramma Netwerk deed verslag.
Uitsluiting
Ook Heeres' collega's maken zich in toenemende mate zorgen om de
tweedeling in de samenleving. Anja Brink, korpschef Politie
Noord-Holland Noord, zegt in reactie op Heeres: "Dat betekent dat
mensen zich uitgesloten voelen. Ook hoogopgeleide jonge allochtonen
bijvoorbeeld, die niet aan het werk komen, terwijl ze gewoon geschikt
zijn voor de arbeidsmarkt."
Subcultuur
Brink wijst erop dat veel allochtonen zich steeds meer in hun eigen
subcultuur terugtrekken. "In hun eigen kringetje komen ze helemaal los
te staan van wat wij in Nederland verder proberen te doen." Zelfs voor
de politie is het moeilijk om tot deze allochtone groepen door te
dringen, erkent ze. "Ze gaan met de rug naar de samenleving staan. Die
denken van, ja, ze willen ons niet, waarom zouden wij moeite doen om
daar dan toe te behoren?"
Schooluitval
Bernard Welten, korpschef van Amsterdam-Amstelland, ziet juist in de
schooluitval "de grote bedreiging van dit moment", maar Heeres wijst
erop dat het toch en vooral draait om de houding van werkgevers. "Als
je een sollicitatiebrief stuurt naar een groot winkelbedrijf en je
vraagt daar caissière te mogen worden, en je hebt een Nederlandse
achternaam en je CV is niet zo goed, of je hebt een allochtone
achternaam en je hebt toevallig je MBO-diploma prima gehaald en altijd
goed gefunctioneerd, raad dan eens wie er uitgenodigd wordt voor een
sollicitatiegesprek? Zover zijn we op dit moment in onze maatschappij."
Franse toestanden?
De Franse rellen van november 2005, die begonnen in de buitenwijken
(banlieues) van Parijs, staan de hoofdcommissarissen nog op het
netvlies gegrift. De beelden van de gewelddadige confrontaties tussen
jonge Noord-Afrikanen en de Franse politie gingen de hele wereld over.
Meer dan negenduizend auto's gingen in vlammen op. Oorzaak van de
escalaties zouden de slechte sociaal-economische omstandigheden van
deze jongeren zijn. Netwerk vroeg de politiechefs of iets dergelijks
ook Nederland te wachten staat.
Kwetsbaarheid
Heeres maakt zich daar niet direct zorgen over. "Als je het hebt over
openbare orde en onrust denk ik dat het in Nederland wel redelijk
gaat.” Wel maakt hij zich ongerust over de kwetsbaarheid van de minima
in Nederland. Hun financiële positie zou ertoe kunnen leiden dat ze
zich inlaten met criminele activiteiten. “Als iemand een
bijstandsuitkering heeft, en maar 981 euro per maand krijgt, en met een
aantal kinderen daar alles van moet doen, dan moet je sterk in je
schoenen staan als op de deurbel gedrukt wordt en ze vragen: mag ik
jouw zolder gebruiken voor een hennepkwekerij."
Lastvandeburger.nl, 19 mei 2006
Andere Overheid? Andere Burger!
De kloof tussen burger en overheid: wat kun je er eigenlijk nog over
zeggen? Elk deuntje komt op het zelfde neer: de overheid moet
vernieuwen, beter luisteren, naar de mensen toe, uit de achterkamertjes
komen, de kaasstolp aan diggelen slaan, beter communiceren, beter
bereikbaar zijn, op maat diensten aan bieden, en ga zo maar door.
Door Steven de Jong
Welke analyse je ook leest of hoort,
de overheid is altijd de gebeten hond. Dat maakt ambtenaren en politici
tot de meest geplaagde bevolkingsgroep van dit moment. Ze zijn verworden
tot de vuilnismannen van de publieke sector. Enerzijds kun je niet
zonder hen, anderzijds worden ze met de nek aangekeken. Dat doet pijn,
heel erg pijn.
Zozeer dat enkele prominenten ineenstorten van
ellende. Een fractievoorzitter die haar eigen regeringspartij een 4
geeft, een minister die zichzelf en collega’s voor vuil en vunzig
uitmaakt. Zelfbeklag dat zich mede manifesteert in het programma Andere
Overheid, een project waar diezelfde minister een dagtaak aan heeft. De
meest tragische uitwas van dit programma is de overheidssite
Lastvandeoverheid.nl. Een overheid die zichzelf aan de schandpaal
nagelt, kan het nog droeviger?
Daarom wordt het tijd dat de
burger zichzelf eens gaat afvragen: hebben we nou ons zin? Een beetje
plagen en pesten is leuk, maar je moet ook je grenzen kennen. De
overheid weet het nu wel; geen ambtenaar durft zijn beroep meer te
vertellen op een feestje, loketbeambten worden uitgescholden,
politieagenten wordt geen gezag meer toegekend en politici kruipen in de
slachtofferrol van vernieuwingsvernieuwingsprogramma’s of gaan in
therapie bij campagnestrategen.
Slechts een enkeling durft nog
dapper weerstand te bieden tegen dit verderfelijke getreiter, en ik
citeer hierin niemand minder dan Jan Peter Balkenende. “U zou zich
moeten schamen voor het feit dat we ons in Nederland vaak druk maken om
niks. Weet u, ik heb het een beetje gehad met al dat doorgeslagen
negativisme. Daar heb ik het gewoon mee gehad”, bromt De Baas die er
tersluiks op wijst dat wij vroeger nog wereldzeeën bevoeren.
Nu
we te maken hebben met een overheid die niet anders meer kan dan
klaagzangen over zichzelf zingen is het moment aangebroken om ambtenaren
en politici weer een stok in handen te geven. Wel zo eerlijk. Deze stok
noemen we het programma Andere Burger en de speerpunt daarop heet
Lastvandeburger.nl: de site waar de overheid haar beklag kan doen over
bandeloos, onverantwoordelijk en gezagsondermijnend gedrag.
Het programma Andere Burger ziet er alsvolgt uit:
Fase 1: Overheid dient lasten in
Fase 2: Burgers reageren op lasten
Fase 3: Onderzoek en rapportage
Fase 4: Profielschets Andere Burger
Fase 5: Overheidsmanifest aan burgers
Van
burgers wordt verwacht dat zij oplossingen verzinnen voor het leed en
de kopzorgen die zij overheid en politiek bezorgen. Dat ze eens
luisteren naar wat de gezagsdragers en uitvoerders van het gezag te
vertellen hebben, waaraan ze zich storen en wat de burger moet doen om
in positieve zin te veranderen.
Ergernissen die voorheen
verdampten in formele communicatieprotocollen en politieke
campagnepraatjes, kunnen nu eindelijk op het bordje van de burger
geworpen worden. Eet smakelijk!
Politiek-digitaal.nl, 15 mei 2006
ICT-onderwijstools blijven teveel op de plank liggen
Anno 2006 is ICT diep doorgedrongen in de primaire processen van het
Hoger Onderwijs. Voor het ‘nieuwe leren’, waarbij de docent nauwelijks
college meer geeft en vaker optreedt als begeleider, worden in rap
tempo nieuwe tools ontworpen.
Door Steven de Jong
Toch koestert een grote meerderheid nog weerstand. Nieuwe tools blijven op de plank liggen.
Het
Nederlandse Hoger Onderwijs behoort tot de kopgroep in de wereld als
het om ICT gaat, zegt SURF, de samenwerkingsorganisatie waarin
onderwijsinstellingen hun krachten bundelen om gezamenlijk
ICT-voorzieningen te realiseren.
Geen ‘Plug & Play’
SURF
was er al vroeg al bij. Ze ontstond begin jaren tachtig naar aanleiding
van een advies van de commissie-Rathenau. Deze commissie adviseerde de
regering de automatiseringsgolf niet als bedreiging voor de
werkgelegenheid te zien, maar de kansen ervan te benutten. De overheid
moest zelf aan de automatisering. ‘Er moest beleid op komen’, zoals dat
heet. Dat was geen kwestie van 'Plug & Play', maar van voortdurende
hervormingen.
Eerst beleid, dan techniek
De visie
van Rathenau is altijd een leidraad geweest voor de implementatie van
ICT in het onderwijs, legt Gerrit van de Graaf - toenmalig directeur van
SURF - in een welkomstvideo uit. “Bij dit soort grote organisatorische
samenwerkingen moet het eerst beleidsmatig en organisatorisch kloppen.
Dan pas lukt het je om de techniek in te voeren. De kracht van SURF is
dat het die eerste twee dingen ook altijd eerst gedaan heeft, en daarna
komen pas de techniekvragen.” Die mening is ook Bart van de Laar, de
huidige manager onderwijsvernieuwing, toegedaan. Het idee dat SURF
alleen maar inzet op stimulering van ICT-gebruik is volgens hem niet
waar. Met de regelmaat van de klok zegt hij: dit is een
onderwijsprobleem, ICT is niet het wondermiddel.
Weerstand
Ook
is een hyperactieve houding niet goed, legt Van de Laar uit. “In onze
voorwaarden voor subsidieverlening ligt besloten dat instellingen eerst
maar eens goed moeten toepassen wat er al op de plank ligt.” Vaak willen
de innovators en early adopters in een organisatie wel aan de nieuwe
tools, maar voelt de grote meerderheid zich nog niet vertrouwd met de
reeds beschikbare ICT-faciliteiten. “Daarin volgt ICT dezelfde weg als
iedere andere innovatie. Leeftijd is daarbij niet per se de
sleutelfactor. Tijdgebrek en de weerstand tegen – ongeacht welke –
verandering, spelen een rol.”
Vakinhoudelijk ICT-gebruik blijft achter
Anno
2006 is ICT diep doorgedrongen in de primaire processen van het Hoger
Onderwijs. SURF heeft daarin bijgedragen door een hoogwaardig
computernetwerk te leveren. Volgens de ICT-Onderwijsmonitor, een
projectgroep die de stand van zaken rond invoering van
informatietechnologie in het onderwijs in kaart brengt, wordt ICT vooral
voor de organisatorische en administratieve bedrijfsvoering ingezet.
Denk hierbij aan de organisatie van cursussen, het registeren en
monitoren van studenten, het inschrijven voor tentamens en het
verschaffen van informatie over docenten en studenten.
De
ICT-onderwijsmonitor stelt vast dat er minder animo is voor
vakinhoudelijke ICT-toepassingen. Vakspecifieke applicaties zijn niet
volledige geïntegreerd in de meeste opleidingen. Onder inhoudelijke
functies verstaat de projectgroep ook; communicatie over het leerproces,
het gezamenlijk werken aan opdrachten, het aanbieden van lesmateriaal
voor zelfstudie, het samenwerkend leren en het van gedachten wisselen op
een discussieplatform.
Blended learning
Dit raakt
natuurlijk ook het hart van het onderwijs. De verschuiving van docent
voor de collegezaal naar de docent als begeleider is namelijk niet
onomstreden, vooral als dat laatste via ICT plaatsvindt. Van de Laar
laat weten dat SURF daar ook niet bovenop wil zitten: “Wij willen
bijdragen aan werkelijk nieuwe onderwijsvormen, maar het is aan de HBO-
en WO-instellingen zelf daarin positie te kiezen. In de afgelopen jaren
bleek vooral blended learning – mengvormen van ‘traditioneel’ en
ICT-ondersteunende werkvormen – goed te werken.”
Volgens Hans
Outhuis, directeur van de Dienst Onderwijs & Student van Saxion
Hogescholen en verantwoordelijk voor de portefeuille 'ICT-regie', kan er
niet getipt worden aan face-to-face onderwijs. Wel is hij, net als
SURF, voorstander van blended learning. "Het 'nieuwe leren' is niet goed
mogelijk zonder de inzet van digitale instrumenten. Met blended
learning kunnen alle doelgroepen van Saxion beter bediend worden. Ook
voor buitenlandse studenten biedt het mogelijkheden om efficiënter en
effectiever onderwijs aan te bieden."
Digitale belevingswereld studenten
Zaak
is ook om op het persoonlijke gebruik van studenten in te haken.
Studenten zitten momenteel op Hyves en MSN. Ze hebben een eigen weblog,
of reageren er regelmatig op. Hogeschool InHolland verwijst in
radiospotjes aspirant-studenten naar weblogs van studenten. Van de Laar
ziet dat onderwijsinstellingen zich hier momenteel met enthousiasme op
storten. “Ze werken zich uit de naad om aan te sluiten bij de
belevingswereld van studenten. Werkelijk hartstikke leuke projecten
buitelen over elkaar heen, van grote games tot streaming video en
e-portfolio’s, van leren met handhelds in het veld tot het bij elkaar
brengen van complexe computerpractica en werkcolleges.” Maar, werpt Van
de Laar tegen, “er zijn veel leuke tools, maar veel wordt nog
onvoldoende gebruikt.”
Liever middenmoot
Outhuis
merkt op dat dit te maken heeft met een mix van factoren. “Het succes
van het gebruik van ICT-voorzieningen is afhankelijk van het ervaren nut
van de voorziening. Ik noem dat de G3: gemak, genot en gewin. Is het
een oplossing voor het door de gebruiker ervaren probleem? Daar schort
het nog wel eens aan.” De ICT-coördinator geeft aan dat Saxion als
hogeschool qua ICT-gebruik liever tot de middenmoot behoort, dan tot de
kopgroep. Simpelweg omdat in de pilotfase de meeste ongelukken gebeuren.
Politiek-digitaal.nl, 15 mei 2006
Integratie van ICT in het onderwijs: een terugblik
Eind jaren zeventig had Nederland een achterstand op alle belangrijke
industrielanden. Ondanks de economische crisis die tot ver in de jaren
tachtig voortduurde, besloot de overheid te investeren in ICT.
Door Steven de Jong
De eerste integrale aanpak kreeg de
naam ‘het Informatica-Stimuleringsplan’. De nota sloeg in als een bom en
bracht een cultuuromslag teweeg.
In 1978 besloot de regering dat
ze een positie moest innemen. De overheid had namelijk de neiging
automatisering alleen als bedreiging voor de werkgelegenheid te zien.
Vanuit die gedachte stelde ze de commissie-Rathenau in en legde de
onderzoekers een basale en bezorgde onderzoeksvraag voor: “Leidt de
opkomst van micro-elektronica slechts tot hogere werkloosheid of
ontstaan er nieuwe economische kansen?”
Van defensief naar offensief
De
commissie gaf op die algemene vraag een evenzo algemeen antwoord: de
overheid moest de maatschappelijke betekenis van technologie voortaan
systematisch benaderen. De defensieve houding moest omslaan in een
offensieve: het benutten van kansen.
Logisch zou je denken, maar
volgens burgemeester Deetman van Den Haag – destijds minister van
Onderwijs en Wetenschappen – sloeg die aanbeveling in als een bom. Begin
jaren tachtig verkeerde Nederland immers in een economische crisis. Het
laatste waar de politiek trek in had was computers aanschaffen, vertelt
hij in een videoproductie van de stichting SURF, de
samenwerkingsorganisatie waarin onderwijsinstellingen hun krachten
bundelen om gezamenlijk ICT-voorzieningen te realiseren.
Deetman:
“Het rapport van de commissie-Rathenau was dermate alarmerend dat er
wat mee moest gebeuren. Toen ik minister werd in 1982 kreeg ik dat op
mijn bordje. Dit heeft geleid tot het ‘Informatica-Stimuleringsplan’ (17
januari 1984, SdJ). Dat plan heeft geleidt tot een advies, dat leidde
tot SURF.” Volgens Deetman kwam de regering toen tot het besef dat als
Nederland zich niet geweldig zou inspannen, het in Europa achterop zou
raken.
In het blad Informatie en Informatiebeleid uit 1984 geeft
professor De Bruijn, toenmalig hoogleraar in de Onderafdeling Wiskunde
en Informatica aan de Technische Hogeschool te Eindhoven, een reactie op
het Informatica-Stimuleringsplan. Hij pleit in het blad voor een
'meersporige inhaalactie' om de achterstand in te lopen. Voor zover het
gaat over opleidingen, maakt hij een globaal onderscheid in drie
fronten:
- Opleiding van echte computerspecialisten.
- Beroepsvoorbereidend
onderwijs over computers, te geven aan degenen die bij de uitoefening
van hun vak computers zullen gaan gebruiken zonder zelf
computerspecialisten te worden.
- Algemeen niet-beroepsgericht onderwijs over computers, en onderwijs met behulp van computers.
Specialisten en consumenten
De
Bruijn was van mening dat de commissie-Rathenau deze sporen onvoldoende
had uitgewerkt. In zijn publicatie houdt hij dan ook een pleidooi om
VWO'ers te leren programmeren. Een advies dat, afgezien van wat
keuzevakken, nooit serieus is geïmplementeerd. “De grote meerderheid van
degenen die in het wetenschappelijk onderwijs terechtkomen, zullen het
programmeursniveau moeten bereiken”, stelde De Bruijn. “Ruwweg kan men
zeggen dat in iedere studierichting waarvoor een eindexamen met Wiskunde
A of B wordt gevraagd, ook moet kunnen worden geprogrammeerd.”
Tegelijkertijd
moest de overheid van De Bruijn investeren in het opleiden van
“consumenten in de informatiemaatschappij”. In het
Informatica-Stimuleringsplan is volgens hem nauwelijks onderscheid
gemaakt tussen programmeurs en operateurs, ofwel gebruikers. Tussen
computerspecialisten die bouwen aan programma's en consumenten die ermee
leren werken.
Bedienen van pakketten
"Als men
tegenwoordig over computergebruik spreekt dan bedoelt men niet meer
hetzelfde als bijvoorbeeld 10 jaar geleden", legt De Bruijn uit.
"Natuurlijk, de 'echte' informatici zullen hetzelfde blijven bedoelen,
maar voor de meesten is het wat anders geworden. Het is niet meer het
zelfstandig programmeren, maar het bedienen van pakketten." Gelukkig
maar, merkt de professor op. "Want nu is het mogelijk om een zeer grote
klasse van mensen achter de toetsenborden en beeldschermen te zetten. Zo
is een groot deel van het computergebruik gericht op de administratie,
als we daaronder tekstverwerking laten vallen. Men zou kunnen zeggen dat
de gebruikers daar operateurs zijn en geen programmeurs."
Weinig animo voor vakinhoudelijke ICT
Nu,
bijna een kwart eeuw later, moeten we constateren dat ICT eigenlijk nog
steeds vooral voor de organisatorische en administratieve
bedrijfsvoering wordt ingezet in het onderwijs. Slechts in een beperkt
aantal opleidingen krijgen studenten programmeervakken, in het
middelbaar onderwijs wordt er evenmin echt aandacht aan besteed.
De
ICT-onderwijsmonitor, een projectgroep die de stand van zaken rond
invoering van informatietechnologie in het onderwijs in kaart brengt,
stelt ook vast dat er weinig animo is voor vakinhoudelijke
ICT-toepassingen. Onder inhoudelijke applicaties worden tevens de
digitale leeromgevingen verstaan, waar studenten gezamenlijk kunnen
werken aan opdrachten en gedachten uit kunnen wisselen.
Volgens
SURF, de organisatie die voortkwam uit het Informatie-Stimuleringsplan,
behoren Nederlandse universiteiten en hogescholen nu wel tot de kopgroep
in de wereld als het om ICT gaat. De organisatie houdt het
Informatica-Stimuleringsplan daarvoor verantwoordelijk.